Zoeken

U vindt hier de presentaties en/of de extended abstracts van de dag.

Dagopening

Presentatie van de dagvoorzitter Bert Hoogveld (ppt)

4C-ID versie 2

Keynote Jeroen van Merrienboer

Roundtable 1

 Mary Herboldt
Denkgereedschap en aanpakkennis voor de radiodiagnostisch laborant

De Erasmus MC Zorgacademie te Rotterdam verzorgt een aantal inservice zorgopleidingen op HBO-niveau. Een van die opleidingen is de opleiding tot radiodiagnostisch laborant. Enkele jaren geleden heeft de Zorgacademie gekozen voor een andere onderwijsvisie (competentiegericht opleiden), waardoor de curricula van de opleidingen moesten worden herzien. Als didactisch concept is toen gekozen voor het 4C-ID model. Kenmerken van het inservice zorgonderwijs zijn:

  • de studenten zijn , afgezien van een korte beroepsvoorbereidende periode, in dienst van een zorginstelling
  • een derde deel van de opleiding vindt plaats op een onderwijsinstituut verbonden aan een ziekenhuis, het overige deel vindt plaats in de praktijk op de eigen werkplek. Dit houdt in dat een groot deel van het leren en ook een deel van de beoordelingen in de praktijk gebeurt
  • de praktijk is leidend bij het invullen van het onderwijsprogramma. Theorie en praktijk zijn dus sterk met elkaar verweven en het theorieonderwijs is voorwaardelijk voor het leren in de praktijk

Het Centraal Orgaan Zorgopleidingen (CZO) stelt de eindtermen van de opleidingen vast. Hieraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor erkenning (te vergelijken met accreditatie).

Tijdens deze bijeenkomst wil ik met u in discussie gaan over de manier waarop de componenten van het 4C-ID model, en met name de component ondersteunende informatie, toegepast kunnen worden in deze vorm van onderwijs. Voor welke dilemmas kom je te staan en welke randvoorwaarden zijn belangrijk/noodzakelijk? Tevens zal ik toelichten welke keuzes de Zorgacademie heeft gemaakt en hoe ondersteunende informatie in de opleiding tot radiodiagnostisch laborant verwerkt is.

Roundtable 4

Christa van Mierlo
Visuele expertise

Er is een directe neuronale link tussen attentie, geheugen en oogbewegingen. Dit maakt eye-tracking tot een uitstekende methode om meer inzicht te krijgen in de cognitieve processen die zich ontwikkelen tijdens het leren. Oogbewegingspatronen van experts kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden voor het ontwerp van nieuw lesmateriaal volgens de 4C-ID methode. De locatie en timing van fixaties tijdens het uitvoeren van de taak laten zien uit welke stappen het complete mentale model van de vaardigheid bestaat en wat de onderlinge relaties tussen deze stappen zijn. Op basis hiervan kunnen leertaken ontwikkeld worden die variëren in complexiteit: hoe meer stappen van het model aangesproken worden, hoe complexer en natuurlijker de taak is. Hoe meer oogbewegingspatronen verschillen tussen beginners en experts, hoe complexer de vaardigheid wordt ervaren door beginners en hoe meer leertaken nodig zijn om de afstand te overbruggen. Bij grote afstand kan besloten worden om niet alleen de oogbewegingen van experts te gebruiken, maar ook die van tussenliggende groepen om de overgangen meer natuurlijk te maken. Daarnaast kan bij gebruik van multimedia de cognitive load van de leerling verminderd worden door de delen van het materiaal die niet bekeken werden door de experts wazig te maken (blurring). Dit forceert leerlingen om te kijken naar de op dat moment relevante elementen van het lesmateriaal. Tijdens de roundtable zal ik studies die eye-tracking en het 4C-ID model hebben gecombineerd in het ontwerp van nieuw lesmateriaal bespreken en evalueren.

Roundtable 6

 Guy Janssens
Een van de leukste cursussen die ik bij de Open Universiteit gevolgd heb!

In de oude cursus projectmanagement van de Open Universiteit moest de student volgens het standaard didactisch concept van de Open Universiteit, het zogenaamde tekstboek-werkboek model als volgt te werk gaan: hij bestudeerde een Engelstalig tekstboek tot op de letter en bereidde zich hierna met behulp van een werkboek voor op een tentamen met meerkeuzevragen. Dit betekende uiteraard dat een student een goede theoretische kennis kreeg, maar dat hij helaas weinig competenties ontwikkelde die nodig zijn als de student als projectmanager wil functioneren. Omdat veel studenten het geleerde echter ook in hun werkpraktijk willen toepassen is besloten de cursus te reviseren.

In de nieuwe cursus die gaat over het inrichten van projecten, heeft het cursusteam daarom sterke nadruk gelegd op het ontwikkelen van praktisch bruikbare competenties, natuurlijk wel gebaseerd op voldoende theoretische kennis.

Het cursusteam gebruikte bij het ontwikkelen van deze cursus het 4C-ID model onderwijsontwerpmodel. Dit lijkt tot nu toe een goede keuze. Het ontwikkelen van onderwijs met dit model dwingt ons als cursusontwerpers anders over vaardigheidsonderwijs te denken, en inspireert ons tegelijkertijd ook tot nieuwe vormen van opdrachten en wijze van aanbieden van theoretische kennis. Het gebruik van het model stimuleerde ons tot grotere creativiteit bij het ontwikkelen en resulteerde - aan de reacties van de studenten te merken - in onderwijs dat ook nog leuk is.

Momenteel ontwikkelen wij ook met behulp van het 4C-ID model een tweede cursus over projectmanagement met als onderwerp: het beheersen van projecten.

In deze roundtable vertellen we hoe we het 4C-ID model in de praktijk hebben toegepast. We lichten de ontworpen de structuur van beide cursussen toe en motiveren de keuzes die we gemaakt hebben. Met enkele voorbeelden van opdrachten demonstreren we de werkwijze gedurende het ontwerpen met het 4C-ID model. Daarnaast delen we als ontwikkelteam onze praktische ervaringen met het model.

Roundtable 7

 Marian Huizinga
Het verhaal achter verhalend ontwerpen

De storyline approach to education is ongeveer 30 jaar geleden in Schotland ontwikkeld. Een verhalend ontwerp is gebaseerd op een verhaal, maar er kan ook een plot worden bedacht. Met het ontrollen van het verhaal, ontvouwen zich de activiteiten als een logisch gevolg op het verhaal. Wat daarbij vooral opvalt is dat de kinderen vrijwel alles zelf lijken te doen. Ze doen het met veel plezier, zijn heel gemotiveerd en leren, zonder dat ze zich er rekenschap van geven, heel veel. Het succes van het verhalend ontwerp schuilt in het feit dat kinderen niet worden aangesproken op wat ze niét kunnen, maar op wat ze wél kunnen. Het blijkt dat kinderen dan ineens meer activiteit vertonen, meer genieten en meer leren dan anders. De kinderen nemen tijdens een verhalend ontwerp zelf beslissingen. Deze zijn van invloed op de manier waarop het onderwijs verloopt. Toch& en dat is het gekke, is een verhalend ontwerp planbaar voor de leerkracht. Het lijkt of je als leerkracht de touwtjes uit handen geeft, maar tegelijkertijd houd je het heft toch zelf stevig in handen. Hoe doe je dat? Hoe voorkom je als leerkracht dat je lessen afzakken tot het niveau van: de kinderen zijn leuk bezig? Tijdens de roundtable wil ik laten zien hoe je (aanstaande) leerkrachten grondig voorbereidt op het organiseren en managen van een verhalend ontwerp volgens de principes van het 4C/ID-model. Daarbij wil ik u graag uitnodigen mee te denken over verdere aanscherping van het ontwerp en het toepasbaar maken voor de praktijk.

Roundtable 8

 Bert Hoogveld
Teach as you preach: training in toepassen van het 4C-ID model volgens het model

Bij instellingen die aan een competentiegerichter herontwerp van een curriculum werken is er vraag naar training in en ondersteuning bij het toepassen van het 4C-ID model. Tijdens trainingen waarbij de eigen casuïstiek centraal staat blijkt echter heel vaak dat men in de instructiefase bij de demonstratie van uitgewerkte voorbeelden heel ongeduldig aan de slag wil met de eigen problematiek, maar dat men de analyse van voorbeelden wel nodig heeft om zich een goed beeld van de toepassing van het model te kunnen vormen. Het dilemma van de trainer is dat er nog te weinig voor het domein van de trainees relevante voorbeelden van toepassing voorhanden waren en dat er tijdens training daarom oefenvoorbeelden gebruikt werden die de trainees te weinig aanspraken (autorijden, literatuur zoeken, de helpdesk medewerker). Docenten die aan het ontwerpen gaan, blijken in de praktijk (cf. Hoogveld, Paas, Jochems & van Merriënboer, 2001, 2002) wel in staat met het model te werken, maar de ontwerpproblemen en het evalueren of die met het ontwerp zijn opgelost te weinig aandacht te geven. Men wil te snel naar de situatie toe waarin het ontwerp geïmplementeerd is, terwijl het 4C-ID model vooral een instrument is voor probleemanalyse en ontwerpfase en een ontwerp of blauwdruk oplevert.

Daardoor staat men eigenlijk te kort stil bij het hele-taak karakter van de leertaken, de variatie in de leertaken, toenemende moeilijkheid niet per leertaak maar per taakklasse, de ware aard van vooral ondersteunende informatie en prestatiecriteria. Vermoedelijk door de te korte duur van de training of te weinig oefening met gemakkelijker voorbeelden dan het eigen complexe probleem, of door het idee dat alle behandelde principes van het model ook meteen bij het eigen ontwerp betrokken moeten worden. Zo onstaat als men het geleerde op de eigen casuïstiek wil toepassen meestal wel enige paniek: er is dan kortdurend sprake van cognitieve overload, terwijl het voorkomen daarvan bij de student waarvoor men de opleiding herontwerpt nu juist een van de krachtigste effecten moet zijn van het gebruiken van het model. Een tegenspraak dus. Deze paniek verdwijnt als ontwerpteams beter begrijpen hoe ze de ontwerptaak moeten opvatten en aanpakken en als bij dat proces voortdurend feedback op proces en resultaat gegeven wordt (combinatie van training en nazorg/consultancy Cf: Hoogveld & Jansen, 2007, Hoogveld & Steinen, 2008).

In de nieuwe aanpak van de cursus Ontwerp van onderwijs en opleidingen voor de Master Onderwijswetenschappen van de Open Universiteit leggen we vooral veel nadruk op het via voorbeelden begrijpen van de principes van het model en de toepassing van het model en focussen we op een betere analyse van het (eigen) ontwerpprobleem in termen van de principes van het model. Als een steen in de vijver: eerst intuïtief, daarna steeds meer en completer vanuit de principes van het model die nodig zijn om het probleem te definiëren en op te lossen. Daarna vanuit een grondiger kennisname van de methodiek. Het sluitstuk is het evalueren of het ontwerp het ontwerpprobleem naar idee van ontwerper en stakeholders heeft opgelost. Uiteraard gaan we deze aanpak ook toepassen op de trainingen die CELSTEC verzorgt in toepassen van het 4C-ID model.

In de roundtable wil ik graag met u discussiëren over wat u van deze aanpak vindt, terwijl we (bij CELSTEC) ook zeer geïnteresseerd zijn in uw suggesties voor alternatieve aanpakken. We willen die uiteraard ook samen met u uitproberen.

Hoogveld, A.W.M., Paas, F., Jochems, W.M.G. & van Merriënboer, J. J.G. (2001) The effects of a web-based training in an instructional systems design approach on teachers' instructional design behavior. Computers in Human Behavior, 17, 363-371.

Hoogveld, A.W.M., Paas, F., Jochems, W.M.G. & van Merriënboer, J. J.G. (2002). Exploring teachers' instructional design practices from a systems design perspective. Instructional Science, 30, (4), 291-305.

Hoogveld, Bert & Jansen, Hans. (red)(2007). Opleiden voor de toekomst. Werken met het 4C-ID model in de praktijk. Heerlen: Open Universiteit Nederland.

Hoogveld, A.W.M. & Steinen, H. (2008) Eerstejaars zicht geven op hun latere beroep: herontwerp van de propedeuse Facility Management met behulp van het 4C-ID model. Tijdschrift voor Hoger onderwijs, 26, 66-76.