Lees voor

Zoeken

Zoeken

Richard Verkijk in De Schijnwerper

 

richard verkijkSinds 1 juni 2011 is mr. dr. Richard Verkijk (43), opleidingsmanager bij de faculteit Rechtswetenschappen. Hij neemt de taken over van de portefeuillehouders bachelor en master en zal een centrale rol gaan vervullen in de onderwijssturing. Ervaring in het organiseren en coördineren van het hoger onderwijs heeft hij opgedaan in zijn tijd als medewerker van de Universiteit Maastricht. In 2010 promoveerde hij op het proefschrift ‘De advocaat in het burgerlijk proces'. Sinds 2010 is hij lid van het Hof van Discipline, de tuchtrechter voor advocaten. Naast zijn 0,8-aanstelling bij onze faculteit zal hij de advocatuur blijven uitoefenen.

U komt van uit de advocatuur. Wat maakte dat vak aantrekkelijk voor u?

Laat ik vooropstellen dat ik aanvankelijk helemaal geen advocaat wilde worden. Ik had breed gestudeerd: mediarecht, internationaal recht, recht en bestuur van niet-westerse landen. Ik wilde alle mogelijkheden open laten. De interesse voor de advocatuur is pas ontstaan in de Advocatenpraktijk van de Universiteit Maastricht. De Advocatenpraktijk geeft onderwijs aan studenten van de UM. Daar werken studenten samen met ervaren advocaten in zaken die het kantoor in behandeling heeft. De opzet is afgekeken van de Legal Aid Clinics uit Amerika waar veel Law Schools een eigen praktijk hebben voor het verlenen van rechtshulp. Voor Europa is de samenwerking tussen universiteit en advocatenkantoor echter uniek. Het was een leerzame stage met veel aandacht voor gespreksvaardigheden en toegepaste schrijfvaardigheden. Opeens wist ik waarvoor ik vier jaar lang had gestudeerd. Je merkte wat je met je kennis kon doen en hoe je tot oplossingen kon komen waar cliënten ook echt mee geholpen waren. Voor studenten een spannende fase waar je ook veel verantwoordelijkheid kreeg. In die Advocatenpraktijk ben ik later ook begonnen als advocaat en ik ben er vijftien jaar aan verbonden geweest. Daarna ben ik overgestapt naar Boels Zanders Advocaten en momenteel ben ik nog voor een dag per week verbonden aan het kantoor van Helgers Advocaten in Maastricht.

Is de Advocatenpraktijk in Maastricht te vergelijken met onze oefenrechtbank?

De overeenkomst met onze oefenrechtbank is dat je je kennis gaat inzetten om concrete problemen op te lossen. Dat werkt heel motiverend. En als het goed is krijg je toch, misschien niet zo heftig als bij mij destijds in die Advocatenpraktijk, het gevoel van: hé, nu weet ik waarvoor ik het heb gedaan, nu zie ik wat ik allemaal kan. Daarom heet dat bij ons ook het Integratiepracticum. Natuurlijk is het zo dat de zaken die je doet in het Integratiepracticum geen echte lopende zaken meer zijn, maar het is spannend genoeg omdat je toch zelf naar oplossingen moet zoeken. Je moet zelf analyseren, zelf pleiten ten overstaan van echte praktijkjuristen. Dat is zeker even spannend als bij een echte zaak. Je mist natuurlijk wel de extra dimensie van een echte cliënt die daar belang bij heeft.

En nu het onderwijs in. Wat is voor u de drijfveer om die stap te maken?

Ik heb altijd al veel affiniteit gehad met de inrichting van het onderwijs. Als student begon dat al. Later als docent. Ik vind het belangrijk dat je universitaire studenten op een academische manier opleidt. Dat is echt een maatschappelijk belang en dat gaat me aan het hart. Daarom ben ik vroeger al in de onderwijscommissie terechtgekomen om te kunnen adviseren, eerst als als student-lid en later als docent. Maar mijn ervaring was dat die commissie vaak noodgedwongen achter de feiten aanliep. Dat vind ik frustrerend. Hier kan ik zelf meer initiatief nemen bij de inrichting van het onderwijs. Dat is tegelijk wel een hele grote uitdaging. Wel een leuke, want wat ik merkte in mijn eerste gesprekken hier is het oprechte grote enthousiasme. Hoe bewaken we de kwaliteit, hoe zetten we ons product, dat heel goed is en nog steeds wordt verbeterd, ook goed in de markt. Dat enthousiasme heb ik al lang niet meer op deze manier meegemaakt. Op het gebied van onderzoek hebben we wel nog iets in te halen, maar daar zijn we nu vol overgave mee bezig.

Hoe beviel de eerste kennismaking met de OU?

Het is niet mijn eerste kennismaking. Enkele van mijn nieuwe collega's heb ik jaren geleden al leren kennen in een vaardighedenproject waarin ik destijds participeerde. Maar wat mij hier als nieuwe medewerker het meest opvalt is dat, hoewel je op de campus geen studenten ziet rondlopen, ze wel degelijk overal aanwezig zijn: in de kamers, in de lades, in alle hoeken, ze hangen aan het plafond, als je begrijpt wat ik bedoel. De student staat erg centraal hier. Het is beslist geen anonieme massa. Bij alles wat men doet, staat de student duidelijk op het netvlies. Zijn mening over ons onderwijs telt hier zeker mee. Een docent ontleent zijn bestaansrecht aan de student. Dat besef leeft hier sterk.

Wat ook opvalt, je hebt veel vrijheid, maar aan die vrijheid hangt ook veel verantwoordelijkheid. En die verantwoordelijkheid nemen mensen ook. Er wordt niet gekeken of je om 9.00u of 8.30u op je werk bent, maar er wordt wel van je verlangd dat je nieuwe dingen oppakt en ermee aan de slag gaat. Dat houdt in dat je steeds geconfronteerd wordt met nieuwe taken en verschuiving van taken. Mijn indruk is dat mensen dat graag en als vanzelf doen. En dat heeft ermee te maken, en dat strookt ook met mijn visie op leiding geven, dat je mensen vrijheid, maar ook verantwoordelijkheid geeft.

Wat ziet u als speerpunt?

We hebben juist de visitatie achter de rug. Het onderwijs is daarbij op alle punten positief beoordeeld. Er was een punt van kritiek en dat heeft te maken met het feit dat deze faculteit als onderzoeksfaculteit nog een jonge geschiedenis heeft. Een aantal jaren geleden heeft men hier gezegd dat wij onderzoek en onderwijs meer willen integreren. Daarin is al veel bereikt, maar wat nog niet helemaal aan de maat is, is dat de staf die het onderwijs verzorgt, ook daadwerkelijk gepromoveerd is. Aan die getalsmatige normen voldoen we nog niet. Wat je niet kunt doen is een groep gepromoveerden binnenhalen door een blik open te trekken. Daar is het geld niet voor en dat wil je ook niet. Wat je wel kunt doen is dat je met de gepromoveerden die er zijn en met de bijzonder hoogleraren die je hebt aangetrokken ervoor zorgt dat je inhoud van het onderwijs consequent koppelt aan onderzoek, zodat bij een volgende visitatie de commissie zal constateren dat ook op dat punt ons onderwijs volstrekt op niveau is. Er wordt nu al vol overgave gewerkt aan die inhaalslag op het gebied van onderzoek. Sommige van onze eigen mensen zijn al bezig met promotieonderzoek en ervaren zelf hoe verrijkend dat kan zijn. Maar het is soms wel lastig, om tijd vrij te maken voor onderzoek zeker als je ook hart voor je onderwijs hebt. Het betekent duidelijke strepen trekken en werken met een duidelijk doel voor ogen. Onze eigen studenten kunnen ons hierbij tot voorbeeld strekken!

Waar ik verder aan denk vanuit mijn advocatenachtergrond is, dat ik mij niet kan voorstellen dat wij niet meer kunnen doen voor beroepsgroepen, zoals dus bijvoorbeeld advocaten. Advocaten moeten meer en meer onderwijs gaan volgen, ze mogen zelf in belangrijke mate bepalen hoe ze dat aanpakken. Afstandsonderwijs is voor deze mensen een ideale vorm. Je ziet dat uitgevers dat al aanbieden. Je kunt dan bijvoorbeeld een webbased cursus volgen en als je die afsluit met een toets, krijg je je opleidingspunten. Dat loopt storm, als je die uitgevers mag geloven. Hierin hebben wij voldoende expertise. Ik constateer een toenemende behoefte aan flexibel onderwijs bij verschillende beroepsgroepen. Daarin moeten wij toch zeker kunnen voorzien.

Hoe zou de organisatie er over vijf jaar uit moeten zien, zodat u met een tevreden gevoel terug kunt blikken?

Er dient een stevige bachelor te staan met de degelijkheid van nu, maar waarin - meer dan nu - studenten worden geprikkeld om zelf op avontuur te gaan in de juridische academische wereld. Dat betekent dat wij op termijn minder nadruk moeten leggen op het materiaal dat wij aan studenten meeleveren en meer gebruik gaan maken van de fantastische digitale bibliotheekvoorziening die we hebben. We moeten studenten wegwijs maken in de gigantische hoeveelheden juridische informatie op het internet. Verder denk ik dat we dan misschien wel twee of drie juridische masters aanbieden waarin je - misschien ook wel meer dan nu - nog beter voortbouwt op de bachelor en waarin ook binnen de verschillende opleidingen nog meer coherentie is, zodat je duidelijk kunt herkennen: dit is een OU-master. Ook moeten we ons profileren door optimaal gebruik te maken van een mobiele elektronische leeromgeving, waarbij je, achter je bureau gezeten, net zo gemakkelijk een college van een hoogleraar oproept als een wettenbundel en je doorklikt naar arresten en uitspraken en waarbij je ook juridische artikelen online oproept. Voor een deel bied je dat aan en voor een deel leer je mensen hoe ze die informatie zelf op het web kunnen verzamelen waardoor je een zeer complete leeromgeving krijgt. Wat er ook bij hoort, wat als normaal gezien moet worden, is dat je op gezette tijden je iPadachtige machine aanzet en deel gaat nemen aan een virtuele klas, waar je iedereen kunt zien en waar je op een natuurlijke manier kunt communiceren met een docent.

Tekst: John Dohmen