www.ou.nl

Proef eens van...
..............Psychologie

Diepte en grootte (1)

De waarneming van diepte en grootte hangt sterk met elkaar samen. Deze samenhang wordt veroorzaakt doordat de driedimensionale wereld op ons netvlies wordt gereduceerd tot een tweedimensionaal beeld. Uit de grootte van een beeld op ons netvlies moeten we dus niet alleen de grootte van het object afleiden, maar ook de afstand tussen ons en dat object.

Daarvoor moeten we een inschatting maken van de verhouding tussen grootte en diepte. Lijkt een object bijvoorbeeld groot omdat het dichtbij ons is, of omdat het daadwerkelijk groot is? Gelukkig staan ons een aantal aanwijzingen ter beschikking die ons hierbij kunnen helpen. Deze zijn onder te verdelen in binoculaire en monoculaire diepteaanwijzingen.
Auto's versneld

Binoculaire aanwijzingen

Binoculaire diepteaanwijzingen worden zo genoemd omdat zij gebaseerd zijn op informatie uit beide ogen (bi = twee, oculair = ooglens). De belangrijkste hiervan is de binoculaire dispariteit: het verschil tussen het beeld op het netvlies in ons linker- en rechteroog. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat onze ogen op enige afstand van elkaar staan.

Op het beeld van objecten die ver van ons af staan heeft dat niet veel effect, maar objecten die zich vlak voor onze neus bevinden werpen in beide ogen een heel ander beeld. In ons linkeroog staat het helemaal links op het netvlies, en in het rechteroog helemaal rechts. Hoe groter het verschil tussen deze twee beelden is, des te dichterbij bevindt het object zich.

Deze binoculaire dispariteit biedt dus informatie om de afstand te bepalen tussen ons en het object. Daarvoor kunnen we ook informatie over de stand van onze ogen benutten. Wanneer we naar een voorwerp dichtbij kijken draaien we onze ogen naar binnen. Wanneer iets heel dichtbij is gaan we zelfs scheel kijken. De stand van onze ogen vertelt ons dus ook iets over de afstand tot een object.

Monoculaire aanwijzingen

Er zijn ook allerlei monoculaire aanwijzingen in het visuele veld die ons iets vertellen over de afstand tussen ons en een object. Hierbij speelt vaak de context van het object een grote rol omdat de vergelijking met die context de inschatting vergemakkelijkt.
  1. Interpositie van objecten: dit is een van de meest voor de hand liggende monoculaire diepteaanwijzingen. Een object dat het zicht belemmert op een ander object, interpreteren we als het dichtstbijzijnde van de twee.
  2. Textuur: objecten waarvan de afzonderlijke elementen gemakkelijk te onderscheiden en ver uiteen staan interpreteren we als dichterbij dan objecten waarvan de afzonderlijke elementen dichter opeen staan of nauwelijks meer te onderscheiden zijn.
  3. Bewegingsparallax: wanneer u uw hoofd van links naar rechts beweegt, zullen objecten in de verte vrijwel stilstaan, terwijl objecten dichterbij van rechts naar links lijken te bewegen. Dit effect is vooral sterk vanuit een bewegend voortuig. Objecten aan de horizon lijken dan met u mee te reizen, terwijl objecten naarmate zij dichterbij zijn steeds sneller voorbij schieten.
  4. Lineair perspectief: wanneer twee lijnen richting een horizontale lijn steeds dichter bijeen komen wekt dat de indruk van diepte en afstand. Dit effect, maar ook de effecten van interpositie en textuur worden vaak gebruikt door schilders om in hun werk de indruk van diepte te wekken en zo op een plat doek toch een driedimensionale wereld te suggereren.

In figuur 10 op de volgende pagina zitten bijvoorbeeld diverse van deze diepteaanwijzingen verwerkt: lijnen die naar elkaar toe lijken te gaan richting de horizon (lineair perspectief), bomen die het zicht op andere bomen belemmeren (interpositie) en een duidelijk verschil in helderheid en zichtbaarheid van details tussen objecten op de voorgrond en objecten in de achtergrond (textuur).

Diepte en grootte (2) »