Glossarium

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A

ADSL - Zie Asymmetric digital subscriber line
Amplitude - De maximale uitwijking van een trilling of een golf, met A =|umax|. De uitwijking (u) is de afstand tot de evenwichtstoestand (voorzien van een plus- of minteken) [leereenheid 6]
Amplitude-frequentiekarakteristiek - Afbeelding van de (relatieve) verzwakking of versterking van een sinusvormig signaal in een kanaal als functie van de frequentie. [leereenheid 7]
Analoog signaal - Een analoog signaal is een in amplitude en tijd continu signaal waarbij het signaal analoog verloopt aan het fysische proces. [leereenheid 6]
Architectuur - Beschrijving van de fundamentele organisatie van een systeem zoals dat wordt vormgegeven door zijn componenten, hun onderlinge verbanden alsmede hun verband met de omgeving, en de principes die sturend zijn voor hun ontwerp en evolutie. [leereenheid 5]
Asymmetric digital subscriber line (ADSL) - Technologie om breedband internettoegang via een telefoonlijn te realiseren, waarbij de heen- en teruggaande transmissiecapaciteit verschillend is. [leereenheid 4]

^Top


B

Backbonenetwerk - Netwerk dat het verkeer tussen meerdere subnetwerken transporteert. [leereenheid 2]
Bandbreedte kanaal - De bandbreedte van een kanaal (Bk) wordt bepaald door het frequentieverschil tussen de hoogste (fh) en laagste (fl) frequentie van de sinusvormige signalen die nog door een kanaal onder voorwaarden verzonden kunnen worden. De eenheid van bandbreedte is Hz, de dimensie s-1. [leereenheid 7]
Bandbreedte signaal - De bandbreedte van een signaal (Bs) wordt gevormd door het frequentieverschil tussen de aangewezen hoogste (fh) en laagste (fl) harmonischen in het signaal, nodig om het oorspronkelijke signaal weer met de vereiste nauwkeurigheid te kunnen reconstrueren. De eenheid van bandbreedte is Hz, de dimensie s-1. [leereenheid 7]
Bemonsteren - Het meten van de signaalwaarde op vooraf bepaalde tijdstippen. [leereenheid 5, 6]
Bemonsteringstheorema van Nyquist - Als fh overeenkomt met de frequentie van de hoogste harmonische in een tijds- en amplitudecontinu signaal, dan moet de bemonsteringsfrequentie fb minstens 2 x fh zijn, wil reconstructie van het oorspronkelijke signaal mogelijk zijn. [leereenheid 7]
Beschikbaarheid - Een kwaliteitsindicator. De kans dat een dienst of netwerk beschikbaar is. Engels: availability. [leereenheid 3]
Bestemming - Een persoon die of apparaat (computer) dat informatie van een bron ontvangt. [leereenheid 6]
Binair - Tweewaardig. [leereenheid 6]
Bit - De cijfers van het binaire talstelsel (binary digit): 0 en 1. Ook: de kleinste eenheid van informatie in een informatieverwerkend systeem. [leereenheid 6]
Bron - Een persoon die of apparaat (computer) dat informatie naar een of meerdere bestemmingen verstuurt. [leereenheid 6]
Broncodering - Codering met als doel de informatiedichtheid van een bericht te verhogen (compressie). [leereenheid 6]
Bustopologie - Concrete realisatie van een boomtopologie. Een busnetwerk behoort tot de omroepnetwerken. [leereenheid 3]
Byte - Een groep van 8 bit. [leereenheid 6]

^Top


C

Circuitschakelen (circuit switching) - Schakelmechanisme waarbij tussen de zender en ontvanger gedurende de communicatiefase een vast circuit door het netwerk is gevormd. [leereenheid 2]
Coderen - Coderen is het converteren van een gegeven signaalvorm, volgens een bepaald algoritme, naar een andere signaalvorm binnen hetzelfde fysische domein. Het coderen gebeurt door de coder. [leereenheid 2, 3, 6]
Communicatie - Het overbrengen van informatie van een bron naar een bestemming langs een kanaal. [leereenheid 1, 6]
Communicatiefase - Periode tijdens het communicatieproces waarin berichten uitgewisseld kunnen worden tussen bron en bestemming. [leereenheid 6]
Communicatiemodel - Hiermee wordt in deze cursus het communicatiemodel van Shannon bedoeld, bestaande uit een bron, zender, communicatiekanaal, ruisbron, ontvanger en bestemming. [leereenheid 1]
Communicatietechnologie - Vakgebied dat zich bezighoudt met concepten en technieken voor efficiënte en effectieve informatieoverdracht via communicatienetwerken. [leereenheid 1]
Continu - Een signaal kan continu zijn in tijd (binnen grenzen op alle tijdstippen een waarde hebben) en/of in amplitude (binnen grenzen alle signaalwaarden kunnen aannemen). [leereenheid 6]

^Top


D

Datalinklaag - Tweede laag in het OSI -referentiemodel. [leereenheden 2, 3]
Decompositie - Een probleem of systeem ontleden in kleinere deelproblemen of deelsystemen. [leereenheid 5]
DECT - Zie: Digital European cordless telecommunications.
Demping - De mate waarin een signaal tijdens het transport verzwakt. [leereenheid 7]
Digitaal signaal - Signaal dat getallen representeert. [leereenheid 6]
Digital European cordless telecommunications (DECT) - Standaard voor digitale draadloze telefonie. [leereenheid 4]
Digitalisering - Proces van het omzetten van analoge gegevens in digitale vorm. [leereenheid 7]
Discreet - Een signaal kan discreet zijn in tijd (op bepaalde tijdstippen een waarde hebben) en/of in amplitude (een beperkt aantal signaalwaarden hebben). [leereenheid 6]
Duplex - Twee transportrichtingen bevattend. Een duplex communicatiekanaal kan berichten tegelijkertijd twee kanten op transporteren. Communicatiepartners kunnen elkaar interrumperen. [leereenheid 6]

^Top


E

Equidistant - Op gelijke afstanden of tijdstippen. [leereenheid 6]

^Top


F

Fase - De fase (φ) van een trillend deeltje geeft aan hoeveel trillingen het deeltje heeft uitgevoerd, gerekend vanaf tijdstip t = 0. [leereenheid 6]
Fasedeel van een frequentiespectrum - Grafiek waarin de fasen van de harmonischen van een signaal als functie van de frequentie zijn vastgelegd. [leereenheid 7]
Fase - frequentiekarakteristiek - De fase, als functie van de frequentie, die een kanaal aan de fase van een signaal toevoegt. [leereenheid 7]
Faseverschil - Het faseverschil tussen twee trillende deeltjes geeft aan hoeveel trillingen het ene deeltje meer heeft uitgevoerd dan het andere. [leereenheid 6]
Filter - Een filter laat bepaalde frequenties van een signaal juist wel of niet door. [leereenheid 7]
Fourieranalyse - Wiskundige techniek waarmee de harmonischen van een signaal worden bepaald. [leereenheid 7]
Fourierreeks - De reeks van harmonischen waaruit een signaal kan worden gedacht te zijn opgebouwd. [leereenheid 6]
Frame - Pakketinformatie die getransporteerd wordt door een transmissiemedium. [leereenheid 3]
Frequentie - Het aantal trillingen per seconde. De eenheid is s-1, in de praktijk aangeduid met hertz (Hz). [leereenheid 6]
Frequentiedomein - Afbeelding van een variabele (amplitude of fase) als functie van de frequentie. [leereenheid 7]
Frequentiespectrum - Een (volledig) frequentiespectrum van een signaal bestaat uit een amplitudedeel en een fasedeel en legt daarmee een signaal in het frequentiedomein geheel vast. [leereenheid 7]
Fysieke laag - Eerste laag in het OSI -referentiemodel. [leereenheden 2, 3]

^Top


G

Gegeven - Een feit in of een begrip uit de werkelijkheid in een vorm die geschikt is voor communicatie, interpretatie en verwerking tot informatie door mens en/of machine. [leereenheid 6]
Gelaagde architectuur - Hiërarchisch gerangschikte, met elkaar samenhangende diensten. [leereenheid 5]
Gelaagdheid - Principe om dienstverlening te ontleden in een keten van subdiensten die de uiteindelijke dienstverlening ondersteunen. [leereenheid 5]
General packet radio service (GPRS) - Draadloos systeem voor het transport van digitale gegevens. [leereenheid 4]
General packet radio system - Uitbreiding van een GSM -netwerk om een hogere capaciteit voor dataoverdracht te realiseren. [leereenheid 4]
Geografische topologie - Een topologie van een netwerk aangevuld met geografische aspecten. [leereenheid 5]
Gigabit ethernet - Een ethernetuitvoering met een buscapaciteit van 1000 Mbps. [leereenheid 4]
Golf - Het voortplanten van een trilling door een medium. [leereenheid 6]
Golfsnelheid - De snelheid waarmee een trilling (een signaal) zich door een medium voortplant. Ook wel voortplantingssnelheid genoemd. [leereenheid 6]
Grondharmonische - Zie: Grondtoon.
Grondtoon - De grondtoon is de eerste harmonische in de reeks van harmonischen van een signaal. [leereenheid 7]

^Top


H

Half -duplex - Bij een half -duplex kanaal wordt de transportrichting opeenvolgend door de communicatiepartners omgedraaid. Communicatiepartners kunnen elkaar niet interrumperen. [leereenheid 6]
Hub - Apparaat dat een inkomende bit naar alle uitgaande poorten kopieert. [leereenheid 3]

^Top


I

Informatie - Datgene waardoor de onzekerheid of onwetendheid van de bestemming in bepaalde mate wordt verminderd. [leereenheid 6]
Integrated services digital network (ISDN) - Een samenvoeging van IDN en IDA. [leereenheid 4]
Interface - Specificatie van de interactie over het raakvlak van twee lagen. [leereenheid 2]
Internet - Het wereldwijde netwerk van computers die op basis van TCP/IP met elkaar kunnen communiceren. [leereenheid 2]
Internetprotocol (IP) - Een protocol van de netwerklaag. [leereenheid 2]
IP-adres - Adres van een eindsysteem dat aan de regels van het IP voldoet. [leereenheid 5]
ISDN - Zie Integrated services digital network

^Top


K

Kanaal - Deel van het medium waarbinnen het signaal zich voortplant. [leereenheid 1]
Kanaalcodering - Codering met als doel de betrouwbaarheid van informatieoverdracht door een kanaal te verhogen. Dit wordt bereikt door het toevoegen van foutdetecterende en herstellende codes. [leereenheid 6]
Knooppunt (binnen een graaf) - Grafische representatie van een netwerkapparaat (bijvoorbeeld een switch). [leereenheid 2]

^Top>


L

LAN - Zie: Local area network.
Lijncodering - Codering met als doel het signaal optimaal aan te passen aan de (fysische) eigenschappen van het kanaal. [leereenheid 5]
Link - De verbinding tussen twee knooppunten. [leereenheid 5]
Local area network (LAN) - Netwerk voor de korte afstand, hoogstens enkele kilometers, binnen een bedrijf of instelling. [leereenheid 2]
Logische topologie - Beschrijving van de functionaliteit zoals een fysische topologie zich aan de bovenliggende afnemende laag presenteert. [leereenheid 5]

^Top


M

Manchestercodering - Een polaire digitaal naar digitaal lijncodering waarbij de binaire "0" en "1" worden weergegeven door signaaltransities in het midden van elk bitinterval. Hierdoor is de kloksynchronisatie verweven met het signaal voor de data. [leereenheid 6]
Medium - Omgeving, ook wel fysische weg, waarin een signaal zich kan voortplanten. [leereenheid 6]
Modem - Apparaat dat een te verzenden binair (digitaal) signaal omzet in een tijds- en amplitudecontinu signaal (moduleren) en een ontvangen tijds- en amplitudecontinu signaal omzet in een binair (digitaal) signaal (demoduleren). [leereenheid 2]
Moduleren - Een speciale vorm van coderen, waarbij een fysisch verschijnsel systematisch wordt veranderd aan de hand van een signaal. [leereenheid 6]
Multiplexen - Techniek waarbij gelijktijdig twee of meer signalen door een medium getransporteerd worden. [leereenheid 2]

^Top


N

Netwerklaag - Derde laag in het OSI -referentiemodel. [leereenheden 2, 3]
Netwerkmanagement - Een term waarmee alle functies en entiteiten worden aangeduid die nodig zijn om een communicatienetwerk te beheren (onder andere netwerkconfiguratie, fout -afhandeling en het verzamelen van gebruiksstatistieken). [leereenheid 5]

^Top


O

Ontvanger - Onderdeel uit de communicatieketen waarin het ontvangen signaal wordt gedemoduleerd en gedecodeerd. [leereenheid 1, 6]
Open systems interconnection reference model (OSI) - Algemeen aanvaard raamwerk voor het ontwerp van een communicatienetwerk. [leereenheid 5]
OSI - Zie: Open systems interconnection reference model
Overspraak - De verstoring in een beschouwd kanaal als gevolg van signalen in andere kanalen. [leereenheid 4, 5]

^Top


P

Pakketschakelen - Schakelmechanisme waarbij een bericht in delen (pakketten) van zender naar ontvanger wordt gerouteerd (Engels: packet switching). [leereenheid 2]
Periodiek signaal - Een signaal waarbij de signaalvorm zich gedurende elke periode T herhaalt. [leereenheid 6]
Protocol - Verzameling afspraken over de samenwerking tussen peerentiteiten. [leereenheid 2]

^Top


R

Real -time communicatie - Directe of (nagenoeg) onvertraagde communicatie tussen twee of meer gebruikers. [leereenheid 5]
Redundant netwerk - Netwerk waaruit enkele links of knooppunten mogen wegvallen of worden verwijderd, zonder dat voor alle knooppunten geen route meer is te vinden naar alle andere knooppunten in dat netwerk. [leereenheid 5]
Routeren - Het proces waarin naar een geschikte (optimale) route wordt gezocht. [leereenheid 4, 5]
Ruis - Ongewenste energie (signaal) opgepikt van buiten of ontstaan in een communicatiekanaal. [leereenheid 5, 7]

^Top


S

Signaal - Informatie vervat in een fysisch verschijnsel. [leereenheid 6]
Signaalelement - Onderscheidbaar onderdeel van een signaal waaraan een betekenis is toegekend. [leereenheid 6]
Simplex - Een transportrichting bevattend. Een simplex communicatiekanaal kan berichten slechts een kant op transporteren. [leereenheid 6]
Simplexverkeer - Verkeer waarbij de informatiestroom maar in een richting stroomt. [leereenheid 6]
Spectraalelement - Een sinusvormige golf als deelsignaal van een complex signaal weergegeven in een frequentiespectrum. Ook wel harmonische. [leereenheid 7]
Sternetwerk - Speciale vorm van een boomtopologie waarbij er een centraal knooppunt is waaraan de andere knooppunten met een link zijn verbonden. [leereenheid 3]
Store and forwardnetwerken - Klasse van netwerken waarbij de schakelaars in de knooppunten uitgerust zijn met een geheugen. [leereenheid 4, 5]
Switch - Engelse term voor schakelaar binnen de telecommunicatie. [leereenheid 3]

^Top


T

TCP - Zie: Transmission control protocol.
Teken - Ook wel symbool, staat voor een bepaalde betekenis. [leereenheid 6]
Tekenvoorraad - Omschrijving van de tekens die er zijn, wat deze betekenen en hoe deze gebruikt worden. [leereenheid 6]
Tijdsdomein - Een afbeelding van een variabele als functie van de tijd. [leereenheid 7]
Topologie - Beschrijving van het verbindingspatroon van de knooppunten in een netwerk. [leereenheid 5]
Transmission control protocol (TCP) - Een protocol van de transportlaag. [leereenheid 5]
Transportlaag - Vierde laag in het OSI -referentiemodel. [leereenheden 2, 3]
Trilling - Een (periodieke) beweging om een evenwichtstoestand. [leereenheid 6]
Trillingstijd - De tijd die nodig is om een hele trilling uit te voeren. Ook wel periode genoemd. [leereenheid 6]

^Top


W

WiFi - Zie Wireless fidelity.
Wireless fidelity (WiFi) - Een gangbare benaming voor draadloze netwerken die gebaseerd zijn op de IEEE802.11 -standaarden waarmee toegang tot het internet wordt verkregen. [leereenheid 3]
World wide web (www) - Een op hypertext gebaseerd systeem voor het vinden en toegankelijk maken van bronnen op internet. [leereenheid 2]

^Top


Z

Zender - Onderdeel uit de communicatieketen waarin het te verzenden signaal wordt gecodeerd, gemoduleerd en versterkt. [leereenheid 6]

^Top