Deze website gebruikt cookies (en daarmee vergelijkbare technieken) om het bezoek voor u nog makkelijker en persoonlijker te maken. Met deze cookies kunnen wij en derde partijen uw internetgedrag binnen en buiten onze website volgen en verzamelen.
Hiermee kunnen wij en derde partijen advertenties aanpassen aan uw interesses en kunt u informatie delen via social media.
Klik op 'Ik ga akkoord' om cookies te accepteren en direct door te gaan naar de website of klik op om uw voorkeuren voor cookies te wijzigen. Bekijk onze privacyverklaring voor meer informatie.

Op de punt van de naald

Webcolumn Rechtswetenschappen - door Huub Spoormans - november 2013

In het NJB van augustus 2012 hebben een aantal hoogleraren in de rechtswetenschappen een pleidooi gehouden voor het instellen van een landelijk Centrum voor Methodologie en Empirische Rechtsbeoefening. Ook in de opleiding, zo schrijven de hoogleraren, is meer aandacht nodig voor het belang van feiten en feitenonderzoek en het zoeken naar tegenargumenten en tegenbewijs. Dat is een waar woord. In mijn opleiding als sociale wetenschapper heb ik geleerd dat de theorie heeft te buigen voor de feiten.Wat recht is of moet zijn is niet alleen een zaak van wetboeken of hooggestemde verwachtingen, maar ook van de actualiteit, van geleefde werkelijkheid. En de werkelijkheid kun je waarnemen. En uit waarnemingen kun je onder bepaalde voorwaarden wetenschappelijke conclusies trekken. Maar zijn we er klaar voor?

Deze vraag doet mij denken aan de discussie die in 1298 werd gevoerd aan de Theologische faculteit van de Universiteit van Parijs. De gemoederen van de Parijse theologen waren behoorlijk verhit over de vraag hoeveel engelen plaats kunnen nemen op de punt van een naald. Die vraag was namelijk centraal gesteld in het onderzoeksprogramma 1297-1302 van de faculteit. Het debat ging over het wezen van engelen, over de omvang van een gemiddelde engel en de daarbij te hanteren standaarddeviatie, in relatie tot de omvang van een gemiddelde speld. De discussie raakte dermate verhit dat de decaan, de eerwaarde Empiler van de theologische faculteit, besloot in te grijpen. Het debat werkte verlammend op de voortgang van de wetenschap en op de goede verhoudingen in de faculteit. Hij was de onenigheid meer dan moe. Zijn ingreep was voor die tijd heel ongewoon. Hij besloot namelijk tot een feitenonderzoek en dat is in een theologische faculteit geen alledaagse gebeurtenis.

Hij nodigde de drie strijdende partijen uit om de eerste zondag na het Drievuldigheidsfeest bijeen te komen in de aula van de universiteit van Parijs. "Hoeveel engelen kunnen volgens u plaats nemen op de punt van een naald?' vroeg hij aan Cordonnier, de vertegenwoordiger van de eerste groep. 'Geen enkele, antwoordde hij, 'deze etherische gedaante van deze wezens…'. 'Dat weten we, onderbrak hem de decaan en hij keek naar Buisson, de woordvoerder van de tweede groep. 'Wat denkt u?' – 'Er passen natuurlijk 911 engelen op een speld. Iedereen met enig inzicht in de geschiedenis en in de geschriften van Thomas van Aquino …' – 'Dank u', zei de decaan en hij keek naar Marteau, de voorvechter van het derde standpunt. 'Iedereen met een beetje verstand, weet dat er ontelbare engelen op een speld passen. Deze immateriële schepselen kunnen …'

'Goed', sprak de decaan luid, 'nu kennen we allen uw meningen. Let u nu eens op'. Hij greep in zijn zak en haalde een speld tevoorschijn. Hij stak de speldenknop in een spleet van de tafel. Toen vouwde hij zijn handen en hij keek naar de hemel. Kort daarop verschenen engelen in de ruimte. Ze zweefden even boven de naald en toen ging de eerste zitten op de punt. Even later volgde een tweede, en daarna een derde engel. Een vierde engel probeerde ook plaats te nemen, maar hij gleed af en kwam op de tafel terecht. Even later verdwenen de engelen even geruisloos als ze gekomen waren.
'Zo', zei de decaan, 'het zijn dus drie engelen. Niet meer en niet minder. En daarom kan de strijdbijl nu begraven worden.'
De woordvoerders van de drie partijen zwegen een moment.
'Dat waren wel heel vreemde engelen' zei Cordonnier tenslotte.
'Ze waren veel te groot!', zei Buisson.
"Eenieder die enig benul heeft van engelen" zei Marteau, 'weet toch dat dit geen engelen kunnen zijn, omdat hun immateriële substantie ervoor zorgt dat ontelbare engelen plaats kunnen nemen op de punt van een speld.'
'911', sprak Buisson.
'Geen enkele', zei Cordonnier beslist.
'Maar mijne heren', riep de decaan, 'het is nu toch bewezen…' – 'bewezen is slechts één ding,' zeiden de drie sprekers als uit één mond, 'dat het geen engelen waren'. Omdat zij voor het eerst in hun leven dezelfde mening waren toegedaan, gingen zij meteen naar de grootinquisiteur, voor wie de vredelievende decaan al langer een doorn in het oog was. En zo stond er op de tweede zondag na de Drievuldigheid voor de Nôtre Dame een brandstapel, en brandde … stapel.

(vrij naar R. Gernhardt)

Huub Spoormans

Prof. dr. H.C.G. Spoormans is hoogleraar Metajuridica aan de Open Universiteit.

Heerlen, 14 november 2013



Meer columns