null Bonje in de bajes

CW_RotterdamseGevangenis_head_large.jpg
Bonje in de bajes
Webcolumn Cultuurwetenschappen - door Iris van der Zande - september 2018

Opstand

Binnen mijn onderzoek naar gevangenen in negentiende-eeuwse gevangenissen is opstand een terugkerend thema. De gehele negentiende eeuw uitten gevangenen openlijk verzet tegen het gevangenisregime. Om de macht van het gevangenisbestuur te tarten, schreven gedetineerden beledigende teksten, zoals 'Luisbol', op de muren, scholden bewakers openlijk uit voor 'hoer' of dreigden hen te vermoorden. Er bestond in het tuchthuis een levendige smokkelhandel in wol, tin, kolen, sigaretten, drank en eten. Ook brieven en kleding vonden via geheime routes hun weg. Tinnen lepels werden gestolen en in het geheim omgesmolten tot sleutels in de hoop te kunnen ontsnappen. Kennissen en familieleden van de gevangenen smokkelden vijltjes, messen en boortjes de gevangenissen in, die de gedetineerden gebruikten om uit te breken. Brutaliteiten, smokkel en ontsnappingspogingen werden bestraft door geseling of afgezonderde opsluiting. Vaak werden gevangenen ook geboeid of kregen zij een blok aan het been gebonden en werden ze op een dieet van water en brood gezet. Dit om de gevangenen na een 'misstap' weer te onderwerpen aan het gezag van het gevangenisbestuur.

Slechte voeding

Een van de redenen waarom gevangenen openlijk in opstand kwamen, was de eenzijdigheid en de slechte kwaliteit van het voedsel. In 1802 vroeg gevangene Levie Philipse, die in het Rotterdamse tucht- en werkhuis was opgesloten, aan de knecht van de gevangenis of hij een stuk vlees kon krijgen. De knecht antwoordde dat er die dag geen vlees op het menu stond. 'Jij hebt mij een wit stuk brood gegeven, maar ik vreet brood genoeg', reageerde Levie woest. 'Gij vreet het vlees liever zelf op!'.

Vanaf 1811 tot 1813 braken er in het Rotterdamse tuchthuis geregeld oproeren uit over de slechte kwaliteit van het brood. In de rapporten die de cipier van het huis diende bij te houden, kunnen we lezen hoe gevangenen en de cipier elkaar woordelijk te lijf gingen. 'Dat brood is niet goed', riep gevangene Jacob Abrahams naar de cipier in 1812. De cipier reageerde: 'Jij maakt het mij moeilijk en lastig. Jij bent nooit tevreden'. Hij maakte een toenadering tot Jacob, waarop Jacob dreigend zei: 'Nader mij niet, of ik sla u met een plank tussen hals en nek' en hij dreigde hem zelfs in zijn 'gemak te schoppen'.

De bedreigingen en woedende uitbarstingen van de gevangenen hielden het gehele jaar aan en in 1813 stuurde de cipier aan de commissaris van de stad Rotterdam een smeekbede of hij wilde zorgen dat er altijd voldoende brood en brood van goede kwaliteit werd geleverd, omdat de gevangenen anders 'oproerig zouden zijn'. Door het uiten van hun woede over de slechte leveranties van het brood dwongen de gevangenen de autoriteiten om hen goed en voldoende voedsel te geven. De commissaris van de politie en de cipier namen de dreigementen serieus: het brood werd vanaf 1814 gecontroleerd en gekeurd voordat het aan de gevangenen werd gegeven.

Onderzoek

Dat gevangenen onderworpen waren aan de tucht en discipline van de gevangenissen wil dus niet zeggen dat ze geen impact hadden. De opstanden die plaatsvonden, gingen vaak gepaard met heftige emoties waarmee gevangenen zich afwisselend schikten naar en verzetten tegen het gevangenisregime. Aan de hand van dit proces van coöperatie en verzet onderzoek ik in hoeverre gevangenen, naast gevangenishervormers en overheden, de dagelijkse praktijk en de vorming van het gevangeniswezen hebben bepaald in Nederland. Om meer inzicht te krijgen in de acties die gedetineerden ondernamen om het gevangenissysteem te veranderen, neem ik de emoties van gevangenen en hun handelen als uitgangspunt. Mijn onderzoek, getiteld 'The power of the prisoner: emotions, gender and agency', is erop gericht om gevangenen een stem te geven.

Iris van der Zande MA