Deze website gebruikt cookies (en daarmee vergelijkbare technieken) om het bezoek voor u nog makkelijker en persoonlijker te maken. Met deze cookies kunnen wij en derde partijen uw internetgedrag binnen en buiten onze website volgen en verzamelen.
Hiermee kunnen wij en derde partijen advertenties aanpassen aan uw interesses en kunt u informatie delen via social media.
Klik op 'Ik ga akkoord' om cookies te accepteren en direct door te gaan naar de website of klik op om uw voorkeuren voor cookies te wijzigen. Bekijk onze privacyverklaring voor meer informatie.
CW_Webcolumn_JosPouls_Missiemuseum_head_large.jpg
De vele identiteiten van het Missiemuseum van Steyl
Webcolumn Cultuurwetenschappen - door dr. Jos Pouls - april 2019

Je zou het niet zeggen wanneer je via het veerpont arriveert in het rustig op de Maasoever gelegen dorpje Steyl, maar honderd jaar geleden was dit een druk, Duitstalig oord met contacten tot in alle uithoeken van de wereld. De oorsprong van wat nu 'Kloosterdorp Steyl' heet, was Bismarck’s antikerkelijke 'Kulturkampf' die tientallen Duitse ordes en congregaties rond 1875 de Nederlandse grens overjoeg. In Steyl bij Venlo ontstond daardoor een dorp met statige kloosters, hoge kerken en weelderige kloostertuinen. De Duitse ordes hielden zich er vooral bezig met de mondiale missionering en zonden vanaf Steyl vele honderden missionarissen en missiezusters uit naar China, Afrika en Zuid-Amerika. In de kloosters werden propaganda-boekjes en pamfletten gedrukt, die de hele wereld overgingen. Andersom stuurden de missionarissen allerlei voorwerpen en curiosa naar Limburg, objecten die bedoeld waren om toekomstige missionarissen en zeker ook de mensen uit de buurt te informeren over al het 'goede werk' dat werd verricht in die exotische landen.

Steyl als 'museum-museum'

De verzameling exotische objecten groeide en groeide en zo ontstond in het interbellum het missiemuseum van Steyl, dat één van de belangrijkste in zijn soort zou worden. Behalve volkenkundige voorwerpen en 'primitieve' kunstwerken, werden in Steyl massale aantallen opgezette vlinders, vogels en grote zoogdieren bij elkaar gebracht. Dat alles werd in enorme vitrines of gewoon op de grond uitgestald waardoor het museum ging lijken op een reusachtige kerststal, in modern jargon: een 'belevingspark'. Bijzonder en ook uitzonderlijk is dat de inrichting van het missiemuseum sinds het interbellum min of meer hetzelfde is gebleven. Daardoor is het museum zelf een relict geworden uit een ver verleden en daarmee een voor Nederland uniek erfgoedobject.

Bijzonder beelden-experiment op Java rond 1925

Het kunsthistorisch meest interessante onderdeel van het Missiemuseum is ongetwijfeld de Collectie Schmutzer. Als bezoeker word je bij binnenkomst van de gelijknamige zaal compleet verrast: het betreft een serie fraaie, houten beelden van Aziatisch uitziende, maar zeer katholieke heiligen, die je overal behalve op deze vrome plek zou verwachten. Sommige sculpturen zijn verfijnder dan andere, maar met name de decoratieve, zeer gedetailleerde weergave van kleding, haardracht en sieraden is ongeëvenaard. De verzameling omvat circa 15 sculpturen, die rond 1925 in Nederlands-Indië werden gesneden door de Javaanse houtsnijder Iko op aanwijzing van de rijke, katholieke suikerfabrikant Josef Schmutzer.

Jezus als Sjiva? Of Sjiva als Jezus?

De bedoeling van Schmutzer was om de christelijke heiligen niet uit te beelden als Europese mannen en vrouwen, maar als authentieke Javanen. Jezus lijkt in Steyl op Sjiva en omgekeerd. Het initiatief paste in de destijds moderne visie op missionering: de doelgroep moest worden aangesproken in de eigen beeldtaal. Alleen dan kon het christelijk geloof daadwerkelijk worden verankerd in de doelgroep; Jezus moest één van hen zijn. Deze strategie zou de missionering op Java, die erg moeizaam verliep, wellicht ook meer succes kunnen bezorgen. In het interbellum begon op Java namelijk een toenemende twijfel te groeien over de duurzaamheid van de Westerse suprematie. Van pariteit was in het experiment overigens geen sprake: Schmutzer stuurde de Javaanse kunstenaars aan en schreef het iconografisch programma exact voor; theologische aberraties waren uit den boze. In zijn ogen was enkel het Westers christendom in staat om de grote synthese tot stand te brengen.

Na drie jaar stopte het experiment vrij abrupt. De kerk op de suikerplantage van Schmutzer in Ganjuran stond inmiddels vol met de Javaanse heiligen van Iko. Het gehoopte succes bleef evenwel uit. Paradoxaal genoeg waren er tal van Javanen die zich geen raad wisten met die ‘vreemde’ heiligen; hun beeld van het christelijke pantheon klopte plotsklaps niet meer. Ook kwam er de kritiek dat die beelden het 'heidendom' juist versterkten. Bovendien: was het niet een ‘levenloze’ kunst die men tot leven wilde wekken? De artistieke traditie waarop Schmutzer en Iko zich baseerden, was immers al eeuwen dood op Java. Tenslotte hadden sommige critici moeite met het feit dat Iko een moslim was die daardoor in hun ogen geen affiniteit kón hebben met de christelijke heiligen.

Bij de terugkeer van de familie Schmutzer in 1930 naar Nederland, werden veel Iko-beelden meegenomen. Via diverse omwegen kwamen die uiteindelijk rond 1990 terecht in Steyl.

Interesse in de relatie tussen kunst en identiteit?

Wie interesse heeft in de bijzondere identiteit(en) van kunst tijdens het interbellum, wordt aangeraden om zich in te schrijven voor de mastercursus Kunst en identiteit in het interbellum. Niet alleen op Java maar ook in Nederland en Vlaanderen heeft kunst in de jaren twintig en dertig in belangrijke mate bijgedragen aan de constructie en verspreiding van collectieve beelden en aan de identiteitsvorming van sociale, politieke en religieuze groepen. Socialisten, katholieken en nationalisten gebruikten de kunst om hun idealen in te vertolken en uit te dragen. Ook de kunstenaars zelf zaten vaak vol sociale en politieke idealen. Daarover gaat deze module, die studenten leert om die ‘artistieke identiteiten’ op te sporen, te beschrijven, te analyseren en tevens te positioneren binnen het wetenschappelijk discours. Er wordt ook aandacht besteed aan de identiteiten van kleinere groepen zoals theosofen en vrijmetselaars en genderaspecten van de toenmalige kunstproductie.

Dr. Jos Pouls is universitair docent kunstgeschiedenis aan de Open Universiteit, gespecialiseerd in de relatie tussen kunst, architectuur en religie in de twintigste eeuw. Regelmatig verschijnen publicaties hierover van zijn hand.



Meer columns