null Shaken, not stirred

RW_Webcolumn_JacRinkes_16049_head_large.jpg
Shaken, not stirred
Webcolumn Rechtswetenschappen - door Jac Rinkes - 12 augustus 2019

Problematiek rond de Groninger aardbevingsschade

In 2016 werd de Studentendag RW georganiseerd door de vakgroep privaatrecht. Als actueel onderwerp was gekozen voor de juridische problematiek rond de Groninger aardbevingsschade (gaswinning). Aardig was de combinatie van Limburgse en Groningse experts, ook vanwege het feit dat Limburg vanwege de steenkolenwinning mogelijk vergelijkbare problemen zal ondervinden. Belangrijke onderwerpen waren aansprakelijkheid (wie? van alle betrokken gaswinners, de concessiehouder, de Staat?), onrechtmatigheid en grondslag (gaat het om de speciale regels voor mijnschade of hebben we hier te maken met een reguliere onrechtmatige daad, en maakt dat verschil?), causaliteit en bewijslast (bewijsvermoedens, of gewoon toeval en pech?), naast de kwestie van de geleden en nog te lijden schade (welke schade komt voor vergoeding in aanmerking, kan waardevermindering van woningen in het aardbevingsgebied als schade nu reeds worden vergoed, ondanks het feit dat een woning nog niet verkocht is en de schade dus feitelijk niet is geleden). Tal van vragen in juridische zin, met een grote maatschappelijke impact.

Tijdens de Studentendag werd er levendig gediscussieerd over deze kwesties, maar echt duidelijkheid kon niet worden geboden. Daarbij kwam dat er tal van regelingen en pogingen daartoe waren, en het voor bewoners van het aardbevingsgebied erg lastig was en is om te kiezen. En hoe om te gaan met nieuwe schades? De NAM (eeuwigdurend concessiehouder sinds 1963, gaswinning sinds 1959) heeft daartoe een protocol ontwikkeld; voor niet-reguliere schades is er een commissie en een regeling. Daarnaast bestonden en bestaan allerlei andere regelingen (Nationaal Coördinator Groningen, Centrum Veilig Wonen, een Arbiter Bodembeweging) en is de governance van de achterliggende publiek-private samenwerking in het Gasgebouw (PPS en de olie’s, gebonden in een convenant) dermate ingewikkeld dat de Nationale Ombudsman het ‘spaghetti-bestuur’ heeft genoemd (zie H. Bröring in: Gaswinning, aardbevingen en wat nu, symposium RUG 2018).

Een onderdeel van de Groningse problematiek is de vraag naar de civielrechtelijke aansprakelijkheid (maar er is natuurlijk meer). Waartoe is het aansprakelijkheidsrecht op aarde vraagt ook de Marc Loth zich af. Aansprakelijkheidsrecht kan worden gezien als een systeem en een praktijk voor de verdeling van maatschappelijke risico’s, maar het wordt ook vaak toegepast op nieuwe maatschappelijke domeinen en problemen, die daarmee van geval tot geval binnen de juridische sfeer wordt gebracht. Loth wijst op de keerzijde daarvan: de onbegrensdheid en mogelijk grenzeloosheid van de toepassing ervan (t.a.p.). Recent is dat kenbaar in de uitspraken van de Hoge Raad over Srebrenica, maar ook over uiteenlopende zaken als renteswaps en – jawel – de verdeling van risico’s van bodembeweging in Groningen.

Op 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een prejudiciële vraag (zie artikel 392 Rechtsvordering) van de Rechtbank Assen een kader gegeven voor de beoordeling van aansprakelijkheidskwesties in verband met de Groningse bodembewegingen (ECLI:NL:HR:2019:1278). Het arrest biedt veel stof tot nadenken; onderstaand wordt de kern ervan kort weergegeven. De Groningse kwestie is voor de Hoge Raad aanleiding (na de uitvoerige Conclusie van A-G Wattel) om een deel van het aansprakelijkheidsrecht te herschrijven, en een aantal nieuwe regels te introduceren (bijvoorbeeld gederfd woongenot van huiseigenaren). Kortom: een ‘landmark-case’ van de HR.

Weergave van de uitspraak

De rechtbank had de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld, die als volgt zijn beoordeeld:

  • 1. In hoeverre heeft het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van art. 6:177 lid 1, onder b, BW en op grond van art. 6:162 BW gevolgen voor de aanspraak op vergoeding van (im)materiële schade?

HR: Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt dat, ondanks de ruime toerekening die plaatsvindt bij aansprakelijkheid op grond van art. 6:177 BW, zich gevallen kunnen voordoen waarin het voor de benadeelde tot een gunstiger resultaat leidt als zijn vordering niet (of niet alleen) op grond van art. 6:177 BW, maar (ook) op grond van art. 6:162 BW wordt beoordeeld.

Of het voor de toepassing van art. 6:100 BW, art. 6:101 BW of art. 6:109 BW verschil maakt op welke van beide grondslagen de vordering tot schadevergoeding berust, hangt af van de omstandigheden van het individuele geval.

  • 2. Is er ruimte voor het aansprakelijk houden van EBN op grond van art. 6:177 lid 2, onder b, BW, naast het aansprakelijk zijn van NAM op grond van art. 6:177 lid 2, onder a, BW? Kan EBN, mede gelet op haar bijzondere positie als staatsdeelnemer in de Maatschap, als exploitant in de zin van art. 6:177 lid 2, onder b, BW, worden aangemerkt?

HR: Het antwoord op de tweede prejudiciële vraag luidt dat EBN in het onderhavige geval – naast NAM – als exploitant in de zin van art. 6:177 lid 2 BW moet worden aangemerkt.

  • 3. Onder welke omstandigheden kan de Staat – mede gelet op art. 2, 3 en 8 EVRM – aansprakelijk worden gehouden voor aardbevingsschade op grond van art. 6:162 BW?
  • 4. Verhindert de formele rechtskracht van het instemmingsbesluit aansprakelijkheid van de Staat? Onder welke omstandigheden kan de Staat ondanks de formele rechtskracht van een instemmingsbesluit aansprakelijk worden gesteld?

HR: De derde en vierde prejudiciële vraag hebben, kort gezegd, betrekking op de aansprakelijkheid van de Staat voor aardbevingsschade. Volgens de Staat komen deze prejudiciële vragen gezien art. 392 lid 1 Rv niet voor beantwoording in aanmerking, omdat beantwoording daarvan niet nodig is om te kunnen beslissen op de vorderingen van [eisers] tegen de Staat. De Staat wijst in dit verband in het bijzonder op een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 20173 en betoogt dat op grond van dit vonnis tussen partijen vaststaat dat de Staat tot het advies van SodM van januari 2013 niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat over de periode vanaf januari 2013 tot 18 november 2015 het causaal verband tussen het onrechtmatige handelen van de Staat en de schade van [eisers] ontbreekt. Dit verweer heeft de Staat ook in het geding bij de rechtbank gevoerd. De rechtbank heeft op dit verweer nog niet beslist. Indien het verweer van de Staat doel treft, kunnen de vorderingen van [eisers] tegen de Staat reeds om die reden niet worden toegewezen en bestaat geen belang bij beantwoording van de derde en vierde prejudiciële vraag. Om die reden kan thans nog niet worden gezegd dat een antwoord op de aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vragen 3 en 4 nodig is om op die vorderingen te beslissen, zoals art. 392 lid 1 Rv vereist. De Hoge Raad ziet in het zaakoverstijgende en maatschappelijke belang van de vragen echter aanleiding deze toch te behandelen.

Het antwoord op de derde prejudiciële vraag luidt dat de Staat onrechtmatig handelt als bedoeld in art. 6:162 BW indien hij ermee bekend is of ermee bekend moet zijn (i) dat aan de gaswinning in Groningen gevaren verbonden zijn die met bodembeweging verband houden, (ii) dat de kans op verwezenlijking van deze gevaren reëel is en (iii) dat de verwezenlijking van deze gevaren tot ernstige of wijdverbreide schade kan leiden, maar desalniettemin nalaat tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om het ontstaan van schade als gevolg van de gaswinning te voorkomen. Tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval is geen andere conclusie mogelijk dan dat de Staat in ieder geval vanaf 1 januari 2005 bekend was of bekend had moeten zijn met (i) de gevaren verbonden aan de gaswinning in Groningen, (ii) de reële kans op verwezenlijking van deze gevaren en (iii) de omstandigheid dat verwezenlijking van deze gevaren tot ernstige of wijdverbreide schade kon leiden. De beantwoording van de vraag of de Staat tegen deze achtergrond onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen, leent zich niet voor beantwoording door de Hoge Raad in deze prejudiciële procedure, nu die beantwoording een deels feitelijk karakter heeft.

In het algemeen geldt dat de vraag of een handelen of nalaten van de Staat onrechtmatig is, in voorkomend geval moet worden beantwoord met inachtneming van de minimumeisen die de relevante bepalingen van het EVRM en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie van het EHRM stellen aan het handelen of nalaten van de Staat.

Het antwoord op de vierde prejudiciële vraag luidt dat de formele rechtskracht van instemmingsbesluiten in zaken als de onderhavige, op de gronden vermeld in het onderhavige arrest, niet aan aansprakelijkheid van de Staat in de weg staat.

  • 5. Hoe ver moet het tegenbewijs gaan om het bewijsvermoeden als bedoeld in art. 6:177a BW te kunnen weerleggen; moet het tegendeel komen vast te staan of kan twijfel zaaien voldoende zijn?

HR: Het antwoord op de vijfde prejudiciële vraag luidt dat, indien is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het vermoeden van art. 6:177a lid 1 BW, de exploitant dat vermoeden alleen dan met succes weerlegt als hij erin slaagt te bewijzen – waaronder is begrepen voldoende aannemelijk te maken – dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk.

  • 6. Als bij de partij die schade lijdt als gevolg van mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant aansprakelijk is, sprake is van een (al dan niet latente) kwetsbaarheid van hemzelf en/of van de aan hem toebehorende onroerende zaak, dient de exploitant dan alle schade te vergoeden die als gevolg van de mijnbouwactiviteiten is ontstaan of verergerd of is er ruimte voor het oordeel dat vanwege die (al dan niet latente) kwetsbaarheid niet alle schade op de voet van art. 6:98 BW naar redelijkheid aan de exploitant kan worden toegerekend dan wel dat de schade deels voor rekening komt van de eigenaar vanwege eigen schuld of voordeelverrekening?

HR: Het antwoord op de zesde prejudiciële vraag luidt dus als volgt.

i) Persoonlijke predispositie van de benadeelde

Schade door mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant aansprakelijk is, moet in beginsel ook op grond van art. 6:98 BW aan de exploitant worden toegerekend als deze (mede) is ontstaan of verergerd door een persoonlijke predispositie van de benadeelde. Voor toepassing van art. 6:101 BW is slechts onder bijzondere omstandigheden plaats.

ii) Bijzondere kwetsbaarheid van een onroerende zaak

Aan een onroerende zaak die zich boven het Groningenveld bevindt kan in beginsel niet de eis worden gesteld dat zij zonder schade bodembeweging doorstaat. De enkele omstandigheid dat een onroerende zaak niet bestand is tegen bodembeweging vormt dus geen bijzondere kwetsbaarheid van die zaak die tot een vermindering van de omvang van de verplichting tot schadevergoeding kan leiden. Zij rechtvaardigt evenmin een vermindering van de schadevergoedingsverplichting van de exploitant op grond van art. 6:101 BW.

Ontbreken condicio sine qua non-verband
Echter, voor zover de schade bestaat in fysiek of geestelijk letsel van een benadeelde met een persoonlijke predispositie of in schade aan een onroerende zaak met een bijzondere kwetsbaarheid, en aannemelijk is dat deze schade ook zonder de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis op enig moment in de toekomst zou zijn opgetreden, geldt dat deze schade niet in condicio sine qua non-verband staat met bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten en dus niet voor vergoeding in aanmerking komt.

  • 7. a) Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting van dergelijke schade?
  • 7. b) Indien vraag 7a positief beantwoord wordt, geldt dit dan voor alle woningen die blootstaan aan het aardbevingsrisico van het Groningenveld of kan daarbij een gevalsdifferentiatie gemaakt worden, en welke omstandigheden zijn daarbij van belang?
  • 7. c) Indien vraag 7a positief beantwoord wordt, in hoeverre hebben de eigenaren van de woning respectievelijk de voor de waardedaling aansprakelijke partijen de mogelijkheid om in geval van verdere waardedaling respectievelijk waardestijging ten opzichte van de peildatum die verdere daling of stijging (alsnog) (terug) te vorderen?

HR: Prejudiciële vraag 7a wordt aldus beantwoord dat de omvang van de verplichting van de exploitant om de schade te vergoeden die bestaat in waardevermindering van een woning die het gevolg is van het risico van toekomstige bodembeweging boven het Groningenveld zoals potentiële kopers dat zien en die zich nog niet heeft gemanifesteerd bij (serieuze poging tot) verkoop van de woning, nog niet kan worden begroot. De omvang van de schade kan pas begroot worden op het moment dat sprake is van een geofysisch voldoende stabiele toestand. Dit laat onverlet dat de rechter de mogelijkheid heeft om in zaken als de onderhavige aan de benadeelde een voorschot toe te kennen, indien dit gelet op de omstandigheden van het geval in de rede ligt, waarvan sprake is als voldoende aannemelijk is dat door de benadeelde uiteindelijk schade zal worden geleden.

Gelet op dit antwoord op prejudiciële vraag 7a wordt niet toegekomen aan de prejudiciële vragen 7b en 7c.

De Hoge Raad merkt op dat zijn in het antwoord op vraag 7a vervatte oordeel berust op de toepasselijke regels van burgerlijk recht. Dat oordeel staat niet in de weg aan reeds bestaande regelingen die beogen op dit punt aanvullende voorzieningen te bieden, zoals de opkoopregeling. Het belet evenmin dat de wetgever voorziet in richtlijnen op grond waarvan de eigenaars van woningen gelegen boven het Groningenveld een aanspraak op tegemoetkoming of een voorschot wordt toegekend, dan wel die NAM/EBN verplichten de eigenaar van een woning uit te kopen en/of die garanderen dat de schade vergoed wordt zodra zij kan worden begroot. Het laat evenzeer onverlet dat de Staat en NAM/EBN het initiatief kunnen nemen om met betrokken partijen (waaronder belangenorganisaties die benadeelden vertegenwoordigen) een regeling overeen te komen die, afhankelijk van wat passend is in een individueel geval, voorziet in een tegemoetkoming, voorschot, uitkoopregeling en/of garantie dat de schade vergoed wordt zodra deze kan worden begroot.

  • 8. Onder welke omstandigheden behoort ook het gemis van onstoffelijk voordeel, te weten het ongestoorde woongenot, omdat daarvoor onnodig uitgaven (zoals hypotheekrente) zijn gedaan, tot de door de exploitant te vergoeden (vermogens)schade?

HR: Het antwoord op de achtste prejudiciële vraag luidt als volgt. Gederfd woongenot is vermogensschade, op vergoeding waarvan een bewoner aanspraak kan maken. Als feiten komen vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van deze schade kan worden afgeleid, maar de omvang daarvan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, moet deze schade worden geschat (art. 6:97 BW). Voor de gevallen waarin het woongenot van een bewoner die boven het Groningenveld woont, is aangetast door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk, moet de schatting van het daardoor gederfde woongenot in beginsel worden verricht aan de hand van de in het arrest vermelde richtlijnen.

  • 9. a) Is bij schade op grond van de exploitatie van een mijnbouwwerk – in algemene zin of in bijzondere gevallen – plaats voor het oordeel dat sprake is van een zodanige aantasting van persoonlijkheidsrechten dat gesproken kan worden van een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW [thans: art. 6:106, onder b, BW; HR]?
  • 9. b) Als het antwoord op vraag 9a bevestigend is, welke eisen moeten worden gesteld aan het bewijs dat de partij die aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding op andere wijze in zijn persoon is aangetast? Volstaat daarvoor de vaststelling dat een partij woont in het gebied waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden in combinatie met een persoonlijke verklaring van die partij over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben?
  • 9. c) In hoeverre verdraagt het hoogst persoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding zich met het min of meer ‘forfaitair’ vaststellen van schadevergoeding?

HR: De negende prejudiciële vraag wordt als volgt beantwoord.

Schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk kan bestaan in een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106, onder b, BW. Voor de toepassing van art. 6:106, aanhef en onder b, BW gelden de algemene door de Hoge Raad ontwikkelde, in het arrest vermelde maatstaven, met dien verstande dat als de vordering tot vergoeding van deze schade stoelt op art. 6:177 BW, het kunnen aannemen van een ‘aantasting in zijn persoon op andere wijze’ wordt beoordeeld aan de hand van de aard en ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en van de aard en ernst van de gevolgen van die gebeurtenis voor de benadeelde.

Om te kunnen aannemen dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen dat op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking komt, of dat de benadeelde om een andere reden op de in art. 6:106, onder b, BW bedoelde andere wijze in zijn persoon is aangetast, volstaat niet de enkele vaststelling dat de benadeelde woont in het gebied waar dikwijls aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben.

De omvang van een verplichting tot vergoeding van schade die bestaat in een aantasting in de persoon op andere wijze, laat zich niet ‘min of meer forfaitair’ vaststellen. Dat laat onverlet dat de rechter kan oordelen dat de aard en de ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen en dat de rechter daarbij aannemelijk kan achten dat de door deze aantasting in de persoon geleden schade voor deze bewoners ten minste een bepaald bedrag beloopt.

Jac Rinkes

Heerlen, augustus 2019

* Prof. mr. Jac G.J. Rinkes is hoogleraar privaatrecht aan de Open Universiteit en hoogleraar Europees en vergelijkend verzekeringsrecht aan de UvA, tevens raadsheer-plaatsvervanger Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, rechter-plaatsvervanger Rechtbank Rotterdam en lid van het College voor Toetsen en Examens.



Meer columns