Deze website gebruikt cookies (en daarmee vergelijkbare technieken) om het bezoek voor u nog makkelijker en persoonlijker te maken. Met deze cookies kunnen wij en derde partijen uw internetgedrag binnen en buiten onze website volgen en verzamelen.
Hiermee kunnen wij en derde partijen advertenties aanpassen aan uw interesses en kunt u informatie delen via social media.
Klik op 'Ik ga akkoord' om cookies te accepteren en direct door te gaan naar de website of klik op om uw voorkeuren voor cookies te wijzigen. Bekijk onze privacyverklaring voor meer informatie.
RW_Webcolumn_JWSap_15006_head_large.jpg
Nationale identiteit en de Europese Unie
Webcolumn Rechtswetenschappen - door Jan Willem Sap - 4 oktober 2018

In de Tweede Kamer wordt regelmatig gediscussieerd over de nationale identiteit. Tussen de onstuimige krachten van globalisering en individualisering blijft het belangrijk om aandacht te vragen voor datgene wat ons bindt als burgers van dit land. In beginsel loopt de collectieve identificatie met de natiestaat via gedeelde geschiedenis, taal, literatuur, verhalen en tradities, waarbij het onderwijs en de media belangrijke bijdragen leveren. Nationale identiteit kan iets positiefs zijn. Het geeft binding en geborgenheid en levert consensus op over de belangrijkste normen en waarden. Dat Nederlanders zich meer voelen dan een willekeurige hoop zielen op een stuk grond, blijkt wel uit de aandacht voor de wedstrijden van sporters van Oranje en de mythe van de Elfstedentocht. Maar een eenzijdige nadruk op nationale identiteit kan ook leiden tot extreem nationalisme, racisme en uitsluitingsmechanismen. Het begrip kan worden misbruikt door populisten bij aanvallen op supranationale Europese integratie of op de religie van minderheden. Vanwege de eis van gelijke rechten van alle burgers in onze multiculturele samenleving zou daarom de neiging kunnen zijn om het begrip nationale identiteit maar naar het vuilstort te brengen.

Verscheidenheid

Dat laatste zou echter jammer zijn. Burgers hebben behoefte aan sociale binding. Een staat met een sterke nationale identiteit, die bereid is zich voor bepaalde belangen en waarden in te zetten, krijgt meer voor elkaar dan een staat die probeert weg te komen met het gedrag van de spreekwoordelijke grijze muis. Als staten steeds zwakker worden, krijgen kwade economische krachten, monopolisten, criminelen en terroristen te veel invloed. In de wereld van vandaag blijkt behoefte aan karaktervolle en betrouwbare staten. Zelfs in de Europese Unie, verenigd in verscheidenheid, is het begrip 'nationale identiteit' geen vies begrip. In de verhouding tussen de Europese Unie en de lidstaten meldt het Unieverdrag dat de Unie de 'nationale identiteit' van haar lidstaten moet eerbiedigen. Uit de tekst van artikel 4, lid 2 VEU blijkt dat het gaat om de nationale identiteit die ligt besloten in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur, alsmede van essentiële staatsfuncties. Met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid.

De Unie mag maatregelen uitvaardigen die dienen te leiden tot aanpassingen van de politieke en constitutionele structuur van een lidstaat of van de manier waarop de uitoefening van staatsfuncties wordt georganiseerd. Artikel 4, lid 2 VEU benadrukt elementen van de nationale soevereiniteit die door de Unie niet verder dan nodig mogen worden beperkt. Dit artikel is geen algemene mogelijkheid om af te wijken van Unierechtelijke verplichtingen. Dat zou immers leiden tot een aantasting van de voorrang van het Unierecht en de uniforme toepassing ervan. De bepalingen van Unierecht mogen niet onnodig beperkingen stellen aan de nationale constitutionele identiteit. Geen probleem is het wanneer een lidstaat de doelstelling heeft het gebruik van de eigen officiële taal of talen te bevorderen, dat kan prima in de Grondwet, zolang een beperking van het recht van vrij verkeer in de interne markt maar niet verder gaat dan strikt noodzakelijk. Mede omdat een lidstaat meerdere gemeenschappen en talen binnen de grenzen kan hebben, ligt het voor de hand dat respect voor minderheden deel uitmaakt van de nationale identiteit.

Zorgvuldig samenspel

Wanneer we stilstaan bij Nederland zien we een welvarend gebied waar ooit een Romeinse grens doorheen liep. Mede door de Nederlandse opstand tegen Philips II veranderde het middeleeuwse universum onder paus en keizer in een pluriversum. Romaanse en Germaanse elementen zijn hier aanwijsbaar en diverse groeperingen leven in vrede samen. De nationale identiteit van Nederland is, net zoals van veel andere natiestaten, duidelijk aanwezig, maar eerder meervoudig dan enkelvoudig. Het heeft te maken met een soort oorspronkelijk verzetsgevoel, dat bij het realiseren van vreedzaam samenleven niet alles gecentraliseerd en top-down vanuit Den Haag of Brussel wordt georganiseerd. In onze democratische rechtsstaat wordt het noodzakelijke pluralisme mede gehandhaafd door het legaliteitsbeginsel, de grondrechten, scheiding (en spreiding) van machten en een onafhankelijke rechter. Dit om te voorkomen dat een gevaarlijk gesundes Volksempfinden de koers gaat bepalen. De kracht van het pluralistische Nederland is een zorgvuldig samenspel van de centrale overheid met provincies, regio’s, steden, gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers. Het verzetsgevoel tegen doorgeslagen centralisatie vormt de ruggengraat van de nationale identiteit van de Nederlanden. Dat komt neer op de bereidheid om samen aan tafel te gaan zitten, compromissen te sluiten en samen door een deur te gaan. Want Nederlanders weten dat we elkaar weer nodig zullen hebben, bijvoorbeeld in de strijd tegen de stijgende zeespiegel. Ook als inspiratie voor Europa mogen we op zo´n nationale identiteit best trots zijn.

Prof. dr. J.W. Sap is hoogleraar Europees recht aan de Open Universiteit te Heerlen en universitair hoofddocent Europees recht aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Heerlen, oktober 2018



Meer columns