Natuurbescherming in het insolventierecht
Duurzaamheidsbelangen bij faillissement
Net als in vele andere rechtsgebieden,2 komt ook in het insolventie- en herstructureringsrecht de vraag op hoe om te gaan met duurzaamheidsvraagstukken.3 Concreet gaat het dan om zeer veel verschillende vragen in verschillende typen procedures. In verband met faillissementsprocedures is bijvoorbeeld de vraag gesteld of, en zo ja hoe, een curator van een failliete vennootschap bij de afwikkeling van het faillissement rekening moet houden met zogenoemde Environmental, Social & Governance (ESG) belangen, nu het faillissement zich primair richt op de verdeling van het vermogen van de schuldenaar onder zijn schuldeisers.4
Hierna focus ik mij op duurzaamheidsvragen die raken aan natuurbescherming. Het betreft dan meer concreet bijvoorbeeld de vraag of een milieuvervuilende activiteit, waarvoor eerder een (bekritiseerde) vergunning is verleend, in faillissement moet worden voortgezet om een winstgevend project af te ronden. Maar ook de vraag onder welke omstandigheden een curator naar het buitenland mag vliegen voor een afspraak inzake de verkoop van de onderneming van de failliet en onder welke omstandigheden hij kan of moet volstaan met een digitaal overleg.
Een eenduidige maatstaf voor de beantwoording van die vragen is er niet, maar als het erop aankomt geldt dat de curator - net als ieder ander - niet onrechtmatig mag handelen (art. 6:162 BW). Ook hij moet handelen conform hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk wordt geoordeeld. Dit kan inhouden dat het belang van de gezamenlijke schuldeisers moet wijken voor een milieubelang, in die zin dat niet de hoogst mogelijke opbrengst wordt gerealiseerd.5
Impact richtlijnen
Genoemde vragen komen onder andere voort uit de discussies inzake de reikwijdte van twee Europese richtlijnen: de Corporate Sustainability and Reporting Directive (CSRD)6 en de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)7. De CSRD introduceerde rapportageverplichtingen voor ondernemingen over hun duurzaamheidsinspanningen en de CSDDD zorgvuldigheidsverplichtingen van ondernemingen op het gebied van mensenrechten, milieu en governance. De impact van deze richtlijnen is tegen de achtergrond van het politieke tumult op het wereldtoneel echter afgezwakt door de zogenoemde Omnibus-richtlijn (2026/470). Desalniettemin blijft duurzaamheid, waaronder natuurbescherming, in het insolventierecht vragen oproepen. Alsook in herstructureringsprocedures.
(Financiële) waarde van de natuur
In Nederland is in 2021 met de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA)8 een herstructureringstraject geïntroduceerd voor schuldenaren die een in de kern levensvatbare onderneming drijven. Zij hebben nu de mogelijkheid om buiten faillissement en surseance om een dwangakkoord met hun schuldeisers en aandeelhouders tot stand te brengen.9 Hierbij kan bijvoorbeeld de vraag worden gesteld of een onderneming, die vanuit een financieel-economisch oogpunt rendabel kán draaien ook móet worden gered, indien haar productieproces bijvoorbeeld niet duurzaam is ingericht en zij afhankelijk is van schaarse natuurlijke hulpbronnen of zeldzame aardmetalen. Zou niet moeten worden ingezet op de creatie van een circulaire economie?10
Ook die vraag is verre van eenvoudig te beantwoorden. Op dit moment is de WHOA financieel-economisch ingestoken en spelen de financiële belangen van schuldeisers en aandeelhouders een hoofdrol naast het doel om de onderneming te redden. Toch kunnen duurzaamheidsbelangen ook nu al invloed hebben op de toekomstverwachtingen voor een onderneming en daarmee op de haalbaarheid van een akkoord. De levensvatbaarheid van de onderneming kan immers worden beïnvloed door wettelijke duurzaamheidseisen (bijvoorbeeld CO2-normen voor personenauto’s 11) en in de maatschappij levende overtuigingen over duurzaamheid, die de afzetmogelijkheden van de kwakkelende onderneming kunnen beïnvloeden.12 Duurzaamheidsbelangen verworden dan tot een economisch argument. Als producten bijvoorbeeld niet aan bepaalde milieueisen voldoen, mogen ze niet meer op de Europese markt worden gebracht,2 waardoor de afzet kan afnemen en de onderneming mogelijk niet meer rendabel kan draaien. Ook spelen duurzaamheidsbelangen een rol daar waar bestaande privaatrechtelijke schadevergoedingsvorderingen, zoals milieuvorderingen, in principe kunnen worden meegenomen in een WHOA-akkoord.14 Het betreft dan opnieuw kwantificeerbaar gemaakte duurzaamheidsbelangen.
Evenwel zullen niet alle duurzaamheidsbelangen (eenvoudig) op geld waardeerbaar zijn.15 En indien een duurzaamheidsbelang bijvoorbeeld wel kan worden uitgedrukt in termen van een vordering op de schuldenaar, betekent dit nog niet dat dit belang in het akkoordtraject wordt meegenomen, omdat de schuldenaar in beginsel kan kiezen aan wie hij een WHOA-akkoord aanbiedt.16
Van antropocentrisch naar natuurgericht perspectief
De hiervoor geschetste invloed van duurzaamheidsbelangen op een faillissementsafwikkeling of een WHOA-traject gaat uit van een antropocentrische wereldbeeld dat de mens centraal stelt. Bij de vraag naar waardetoekenning aan duurzaamheidsbelangen gaat het steeds om de waarde die wij als mensen daaraan toekennen gezien de voordelen die wij aan (het behartigen van) die belangen ontlenen.17 Tegenover dit antropocentrische denken staan - waar het de natuur betreft - opvattingen die de natuur zelf centraal stellen. Een voorbeeld biedt het zogenoemde non-speciesme, dat - kort gezegd - een morele gelijkwaardigheid voorstaat tussen de mens en andere levensvormen, zoals planten, dieren en ecosystemen.18 Maar zelfs als de intrinsieke waarde van de natuur centraal wordt gesteld, blijft de vraag bestaan hoe het zelfstandig belang van bijvoorbeeld de natuur rondom een fabriek kan worden meegenomen in een herstructureringstraject, bijvoorbeeld door de milieu-impact van de fabriek op niet-menselijke levensvormen een rol te laten spelen bij de vraag naar de levensvatbaarheid van de onderneming. Daartoe zal de natuur moeten worden vertegenwoordigd in dat traject. Zij moet onder de aandacht worden gebracht van de akkoordaanbieder, hetgeen opnieuw door de mens zal moeten gebeuren. Dit betekent enerzijds dat de mens wederom op de voorgrond treedt, maar anderzijds ook dat er expliciet aandacht komt voor de natuur.19
Onafhankelijke belangenbehartiger
Zoals de zaken er nu voorstaan, ligt de behartiging van duurzaamheidsbelangen in faillissement in principe bij de curator. In herstructureringstrajecten zal de akkoord aanbiedende schuldenaar hier rekening mee moeten houden, maar de vraag is ook al gesteld of dat niet een ander moet zijn. Gedacht is daarbij onder meer aan een onafhankelijke vertegenwoordiger, de herstructureringsdeskundige (art. 371 Fw), de observator (art. 380 Fw) en de rechtbank aan wie het verzoek tot homologatie van het WHOA-akkoord wordt gericht (art. 383 Fw).20 Met een onafhankelijk belangenbehartiger wordt voorkomen dat een belangenbehartiger twee heren moet dienen, hetgeen zich bijvoorbeeld zou voordoen als een observator, die volgens de huidige wet oog heeft voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers, ook zou moeten opkomen voor duurzaamheidsbelangen.21
Belangencommissie voor natuur en duurzaamheid
Evenwel moet een curator in een faillissement nu ook al vaak tegenstrijdige belangen afwegen. Hij moet - als gezegd - onder omstandigheden niet alleen met de belangen van de gezamenlijke schuldeisers rekening houden, maar ook die van de schuldenaar en met maatschappelijke belangen.22 Bovendien moet de uiteindelijke belangenafweging bij iemand worden neergelegd; iemand moet immers de knoop doorhakken. Dat laat echter onverlet dat het belang van de natuur dan nog steeds onder de aandacht van die persoon moet worden gebracht en aan de onderhandelingstafel nadrukkelijker een plaats zou kunnen krijgen door een belangenbehartiger voor de natuur in het herstructureringstraject in te bedden. Zo kan ook de behartiging van niet (eenvoudig) kwantificeerbare duurzaamheidsbelangen een rol krijgen in dit soort trajecten. Daartoe kan worden gedacht aan het door de rechtbank in een WHOA-akkoordtraject instellen van een belangencommissie,23 waarin die onafhankelijk belangenbehartiger voor de natuur zitting neemt. Die commissie moet de schuldenaar die het akkoord opstelt, de verschillende perspectieven op bepaalde aan de orde zijnde duurzaamheidsvragen, waaronder milieuvraagstukken, schetsen en advies geven.24 Het is vervolgens aan de akkoordaanbieder om een akkoord op te stellen en uitleg te geven over de inrichting daarvan (art. 375 Fw). En in faillissement zou bijvoorbeeld de schuldeiserscommissie kunnen worden omgevormd tot een belangencommissie, die de curator van advies dient. Daarbij kan, net als bij de huidige schuldeisercommissie, gelden dat die belangencommissie niet steeds wordt ingesteld, maar alleen indien die meerwaarde heeft.25 Overleg van de schuldenaar in een herstructureringstraject of de curator in faillissement enerzijds met een belangencommissie anderzijds kan bovendien het draagvlak voor de toch vaak ingewikkelde beslissingen die moeten worden genomen vergroten.26
Groeiende rol van duurzaamheidsbelangen
De uiteindelijke invloed van het belang van de natuur op de insolventieprocedure of het herstructureringstraject, zal nog steeds afhangen van de bereidheid van de betrokkenen om daarmee rekening te houden, maar kan onder invloed van een veranderende tijdsgeest groter worden.27 Nog steeds zullen de financiële belangen van de gezamenlijke schuldeisers in faillissement voorop staan en zullen bij een WHOA-akkoord in principe de financiële belangen van schuldeisers en aandeelhouders richting geven aan het akkoord, maar omdat een ieder moet handelen conform hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk wordt geoordeeld, kunnen duurzaamheidsbelangen op den duur aan invloed winnen, zeker als zij aan de onderhandelingstafel een stem krijgen. Daarbij merk ik op dat mijns inziens enkel zwaarwegende maatschappelijke belangen onder omstandigheden zwaarder kunnen wegen dan de financiële belangen van schuldeisers en aandeelhouders.28 Dit geeft richting en voor een ruimere invulling zie ik, gezien ook art. 1 Eerste protocol EVRM (recht op ongestoord genot van eigendom), geen grond. Het toekennen van gewicht aan maatschappelijke belangen zal immers ten koste gaan van eigendomsrechten van de schuldeisers.29
1 Universitair hoofddocent privaatrecht aan de Open Universiteit. Ik wil hierbij mijn dank uitspreken aan J.G.J. Rinkes en J. Janssen voor hun commentaar op eerdere versies van dit blog.
2 Zie recent bijv. M.J. Wewerinke-Singh (red.), Duurzaamheid en recht, Deventer: Wolters Kluwer 2026.
3 Zie bijv. S. van den Broek, 'Duurzaam herstructureren - verslag van het EYES on Insolvency congres 2025', TvI 2026/15.
4 Zie over genoemde vraag bijv. M.L.H. Reumers, 'Tijden veranderen: de invloed van maatschappelijke belangen en duurzaamheidsoverwegingen op de taakuitoefening door de curator. Deel I en Deel II', Tijdschrift voor Curatoren 2023/1, p. 3-9 en 2023/2-3, p. 35-44. Zie over de doelstelling van het faillissement: S.C.J.J. Kortmann & N.E.D. Faber (red.), Geschiedenis van de Faillissementswet. Heruitgave Geschiedenis van de Wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling. Deel I bewerkt door Mr. G.W. Baron van der Feltz, Haarlem 1896 (Serie Onderneming en Recht deel 2-I), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 7.
5 M. van Eekelen-Atema, 'Reactie op TvI 2022/20 Maatschappelijk verantwoord vereffenen: belangenpluralisme bij de maatschappelijke taakuitoefening van de curator', TvI 2022/27; M.L.H. Reumers, 'Tijden veranderen: de invloed van maatschappelijke belangen en duurzaamheidsoverwegingen op de taakuitoefening door de curator. Deel I', Tijdschrift voor Curatoren 2023/1, p. 3-9, en vgl. H.B. Oosthout, De doorstart van een insolvente onderneming. Niks of phoenix, Deventer: Kluwer 1998, p. 45.
6 Richtlijn (EU) 2022/2464.
7 Richtlijn (EU) 2024/1760.
8 Wet Homologatie onderhands akkoord, Stb. 2020, 414, in werking getreden op 1 januari 2021, Stb. 2020, 415. Deze wet is opgenomen in de Faillissementswet.
9 Art. 369 jo. 370 Fw.
10 Zie: Europese Commissie, Het EU Kompas voor het concurrentievermogen, Brussel 29 januari 2025, COM(2025)30 final en De Clean Industrial Deal, Brussel 26 februari 2025, COM(2025) 85 final.
11 Zie Verordening (EU) 2023/851.
12 Hoewel de invloed van bijvoorbeeld een duurzaam productieproces op aankoopgedrag van consumenten (vooralsnog) beperkt is. Zie hierover o.m. L. van Duist & L. Gijsbers (Motivaction), Invloed van duurzaamheidskeurmerken op vertrouwen, vergelijkbaarheid en begrip, 2022, onderzoek uitgevoerd in opdracht van Autoriteit Consument en Markt, https://www.acm.nl/sites/default/files/documents/onderzoek-naar-de-invloed-van-duurzaamheidskeurmerken-op-consumenten.pdf, en https://www.milieucentraal.nl/professionals/factsheets-en-rapporten/monitor-duurzaam-leven/, beide geraadpleegd op 22 juli 2026.
13 Zie bijv. Verordening (EU) 2023/1115, die kort gezegd beoogt producten van de Europese markt te weren die ontbossing (mede) veroorzaken.
14 A. Jonkers & R. de Weijs, 'Preventing Environmental Bailouts: Environmental Liabilities and (Non)-Inclusion and (Non)-Dischargeability under the WHOA', p. 84-85 en M. Noldus & D. Strik, 'The ESG Factor in Dutch Insolvency and Restructurings: A Debtor’s Perspective on Environmental Claims', p. 124-126 en p. 127-129, beide in: NVRII Preadviezen 2024. The 'Insolvent Pollu ter Still Pays' Principle?, te raadplegen via: https://nvrii.nl/wp-content/uploads/2025/01/9789462129801_WEB.pdf, laatstelijk geraadpleegd op 28 juli 2026. Voor publiekrechtelijke milieuvorderingen lijkt dit overigens niet mogelijk. Zie A. Jonkers & R. de Weijs voornoemd, p. 105-106 en M. Noldus & D. Strik, voornoemd, p. 129-130.
15 Zie over de waardering van ecosysteemkapitaal (bijvoorbeeld een bos) en ecosysteemdiensten (bijvoorbeeld CO2-opslag door bomen) en de beperkingen die daaraan kleven: System of Environmental-Economic Accounting. Ecosystem Accounting (2024) van de Verenigde Naties, https://seea.un.org/en/methodology/ecosystem-accounting, geraadpleegd op 22 juli 2026. Zie voor Nederlandse toepassingen van deze richtlijnen https://www.cbs.nl/nl-nl/over-ons/onderzoek-en-innovatie/project/hoeveel-draagt-de-natuur-bij-aan-de-economie-en-ons-welzijn-, geraadpleegd op 22 juli 2026. Binnen dit waarderingssysteem wordt erkend dat de intrinsieke waarde van de natuur hiermee niet wordt bepaald. Het betreft kort gezegd waardering van de baten van ecosysteemkapitaal en ecosysteemdiensten voor de mens. Zoals op de genoemde site van het CBS vermeld: 'De waarde van het ecosysteemkapitaal zoals hier bepaald, is echter geen absolute 'waarde' van de prijs die we zouden accepteren om natuur te verkopen. De natuurlijke leefomgeving ondersteunt al het leven op aarde, en het verdwijnen ervan zou ons eigen leven op aarde onmogelijk maken, wat een oneindige waarde impliceert.'
16 Zie art. 370 lid 1 Fw, en N. Pannevis, te kennen uit: S. van den Broek, 'Duurzaam herstructureren - verslag van het EYES on Insolvency congres 2025', TvI 2026/15, par. 6.
17 Zie noot 15 hiervoor.
18 J. Janssen, Waarom de criminologie mij dierbaar is. Een persoonlijk pleidooi voor non-speciesisme, Den Haag: Boom Criminologie 2019.
19 Idem.
20 S. van den Broek, 'Duurzaam herstructureren - verslag van het EYES on Insolvency congres 2025', TvI 2026/15, par. 6.
21 Zie art. 380 lid 1 Fw, waarin is opgenomen dat de observator tot taak heeft toezicht te houden op de totstandkoming van het akkoord en daarbij oog te hebben voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
22 HR 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047, NJ 1996/727, m.nt. W.M. Kleijn (Maclou), r.o. 3.6.
23 Vgl. H.J. de Kloe, Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (Uitgaven vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 129), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 8.6; M. Noldus & D. Strik, 'The ESG Factor in Dutch Insolvency and Restructurings: A Debtor’s Perspective on Environmental Claims', p. 129, in: NVRII Preadviezen 2024. The 'Insolvent Polluter Still Pays' Principle?, te raadplegen via: https://nvrii.nl/wp-content/uploads/2025/01/9789462129801_WEB.pdf, laatstelijk geraadpleegd op 28 juli 2026. Zij zien mogelijkheden voor het instellen van een crediteurencommissie (o.m.) via de weg van art. 379 Fw.
24 Vgl. de onafhankelijk vertegenwoordiger van niet-menselijk leven (de 'spreker voor de levenden') bij een zoöperatie (zoöp). De zoöp is een contractuele organisatievorm die als het ware als een sluier over een rechtspersoon ligt en ertoe leidt dat een van de rechtspersoon en de onderneming onafhankelijk vertegenwoordiger van niet-menselijk leven (de 'spreker voor de levenden') optreedt als bestuurswaarnemer en adviseur. Zie hierover uitgebreid: C. Koça, 'Vertegenwoordiging van 'de natuur' middels instrumentalisering van het huidige privaatrecht', NJB 2026/350 en https://nieuweinstituut.nl/projects/zoop/word-zoop, geraadpleegd op 23 juli 2026.
25 Zie bijv. Rb Noord-Nederland 10 juni 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2046, JOR 2022/263, m.nt. J.B.A. Jansen, r.o. 3.15 e.v. en Rb. Rotterdam 11 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:11834, JOR 2021/99, m.nt. J.M. Hummelen.
26 Vgl. J.M. Hummelen, noot onder Rb. Rotterdam 11 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:11834, JOR 2021/99, par. 3 over de schuldeisercommissie in faillissement.
27 Vgl. M. van Eekelen-Atema, 'Reactie op TvI 2022/20 Maatschappelijk verantwoord vereffenen: belangenpluralisme bij de maatschappelijke taakuitoefening van de curator', TvI 2022/27, par. 4.
28 Zie ook: M. van Eekelen-Atema, 'De faillissementscurator en maatschappelijke belangen', in: L.F.H. Enneking, M.R. Hebly & K.K.E.C.T. Swinnen (red.) Publiek privaatrecht, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 313-314; M. van Eekelen-Atema, 'Reactie op TvI 2022/20 Maatschappelijk verantwoord vereffenen: belangenpluralisme bij de maatschappelijke taakuitoefening van de curator', TvI 2022/27, par. 5.
29 M.L.H. Reumers, 'Tijden veranderen: de invloed van maatschappelijke belangen en duurzaamheidsoverwegingen op de taakuitoefening door de curator. Deel I', Tijdschrift voor Curatoren 2023/1, p. 8.