Deze website gebruikt cookies (en daarmee vergelijkbare technieken) om het bezoek voor u nog makkelijker en persoonlijker te maken. Met deze cookies kunnen wij en derde partijen uw internetgedrag binnen en buiten onze website volgen en verzamelen.
Hiermee kunnen wij en derde partijen advertenties aanpassen aan uw interesses en kunt u informatie delen via social media.
Klik op 'Ik ga akkoord' om cookies te accepteren en direct door te gaan naar de website of klik op om uw voorkeuren voor cookies te wijzigen. Bekijk onze privacyverklaring voor meer informatie.
CW_Column_JeroenVanheste_filosofie_15677_head_large.jpg
Lofprijzing van de stuntelende intellectueel
Webcolumn Cultuurwetenschappen - door dr. Jeroen Vanheste - april 2019

Van alle stuntelaars die er rondlopen op de wereld is er één soort dat altijd bijzonder tot de verbeelding heeft gesproken: het type van de onhandige, wereldvreemde intellectueel die ondanks al zijn boekenwijsheid een modderfiguur slaat als het aankomt op reële problemen - zoals bijvoorbeeld een oorlog. Archimedes had een afbeelding met cirkels in het zand getekend en zat na te denken over een meetkundig probleem toen zijn stad Syracuse werd ingenomen. 'Verstoor mijn cirkels niet!', zouden zijn laatste woorden zijn geweest voor hij gedood werd door vijandelijke soldaten. Vergelijkbaar is het verhaal van de Byzantijnse filosofen die verder bleven discussiëren over abstracte problemen terwijl de Turken hun stad al aan het innemen waren. Behalve met oorlog weet de intellectueel zich ook niet goed raad met andere praktische terreinen van het leven, zoals bijvoorbeeld dat van de liefde. Toen de ouders van Thomas van Aquino vonden dat hij te hard studeerde en een schaars geklede schoonheid op hem afstuurden in een poging hem van zijn boeken af te krijgen, verjoeg Thomas haar met een brandend stuk haardhout.

Klungelig imago

De intellectueel wordt dus vaak gezien als een klungelende schertsfiguur van wie de handen altijd verkeerd staan. Geen wonder daarom dat Nescio zijn schrijverschap lang verborgen hield uit angst dat zijn zakenpartners hem anders niet meer serieus zouden nemen. Geen wonder ook dat een enkele jaren geleden uitgevoerd onderzoek van het tijdschrift Cosmopolitan uitwees dat de beroepsgroepen die iets met boeken te maken hebben de grootste problemen hebben op de huwelijksmarkt, met bibliothecarissen als een zelfs vrijwel onmogelijk te bemiddelen groep.

Onafhankelijk en kritisch

Dat de echte intellectueel vaak zo’n stuntelaar is, heeft natuurlijk te maken met zijn theoretische gerichtheid. Hij wijdt zich aan het beschouwelijke leven en is niet erg geïnteresseerd in praktische toepassingen of nut, en doordat hij altijd met theorie en zelden met de praktijk bezig is, staan zijn handen links. Wat hebben we nu eigenlijk aan dit soort wereldvreemde klungels? Heel wat, zou ik hier willen betogen. Juist in onze westerse wereld van vandaag, die gekenmerkt wordt door een extreme gerichtheid op nut, toepassing, output en concrete resultaten – juist in zo’n wereld kan het type van de stuntelende intellectueel van onschatbare waarde zijn. Althans, wanneer zich achter dat gestuntel een autonome denker bevindt: bijvoorbeeld een docent, journalist, schrijver of kunstenaar die zich met zaken des geestes bezighoudt omwille van die zaken zelf. Hij is erudiet, generalist, onafhankelijk en kritisch, niet erg bezig met het beheer van zijn loopbaan, en een anarchist in de zin dat hij met geen enkele mode of stroming meeloopt. Hij neemt niets als vaststaand feit aan, twijfelt overal aan, heeft een hartstochtelijke nieuwsgierigheid en spreekt vrijmoedig - de parrèsia van Foucault.

Dit soort geletterde, voor wie het niet in eerste instantie gaat om concrete praktische doelen en die zich richt tot een algemeen ontwikkeld publiek, was ooit een gewaardeerd type in de westerse cultuur. Beroemde voorbeelden zijn onder meer Socrates, Petrarca, Isotta Nagarola, Erasmus, Hugo de Groot, Voltaire, Mary Wollstonecraft, Stefan Zweig, Simone de Beauvoir, Mandelstam, Camus en Havel. Dit beeld van de intellectueel is verdedigd door Julien Benda in zijn beroemde boek La Trahison des Clercs (Het verraad van de intellectuelen, 1927), maar het kent ook zijn hedendaagse pleitbezorgers. In zijn opstellen onder de titel Manifestaties van de Intellectueel karakteriseert Edward Said de intellectueel als 'balling en marginale figuur' en benadrukt hij de waarde van onafhankelijkheid en een kritische houding ten aanzien van elk gezag. Zowel het denken als de creativiteit is gebaat bij een zekere marginaliteit: want wie er niet helemaal bij hoort, durft eerder het risico te nemen te betwijfelen wat iedereen gelooft of nieuwe wegen te verkennen.

Moderne probleemoplossers

Helaas lijkt het type intellectueel dat Benda en Said verdedigen echter uit te sterven. In plaats van de wat verlegen en wereldvreemde intellectueel hebben we nu de goedgekapte en goedgebekte intellectueel die opdraaft in talkshows en ted talks, voor wie media-aandacht veelal zwaarder weegt dan de intellectuele inhoud en wiens denken uitgedund is tot welluidende one-liners, het intellectuele equivalent van fast food. In plaats van generalisten met een brede blik hebben we specialisten die steeds meer weten van steeds minder. In plaats van twijfelaars hebben we zelfverzekerde probleemoplossers. In plaats van onafhankelijke intellectuelen hebben we denktanks van politieke partijen; schrijvers en kunstenaars die als 'cultureel ondernemer' opereren; wetenschappelijk onderzoek in dienst van 'valorisatie'; en een snel groeiend aantal door het bedrijfsleven betaalde leerstoelen. Dit is precies wat Benda het 'verraad van de intellectuelen' noemde: de uitverkoop van het intellect aan 'nut' of 'de goede zaak', of dat nu politiek of commercie is.

Dwarsverbanden in een breder perspectief

Edward Said pleit daarom voor een 'nieuw amateurisme' van intellectuelen die niet worden gedreven door gewin of andere concrete 'nuttige' doelen, maar 'door liefde en een niet-aflatende belangstelling voor het bredere perspectief, door het leggen van verbanden dwars door grenzen en barrières heen, door te weigeren zich te laten vastpinnen op een specialisme'. Hij herinnert ons er aan dat we mensen nodig hebben die, zo onafhankelijk en belangeloos mogelijk, achter hun bureau zitten en lezen, aantekeningen maken, denken, schrijven en bekritiseren. Als ze dat bureau verlaten en de wereld in gaan zullen ze dat misschien niet goedgekapt en goedgebekt doen en regelmatig onhandige flaters slaan, maar dat geeft niet: want hun taak is vooral om anderen aan het denken te zetten door vrijuit vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden op losse schroeven te zetten. Wat we nodig hebben is daarom een terugkeer van de theoretische mens, de wereldvreemde geletterde, de stuntelende intellectueel - want als er naar ze geluisterd wordt, kunnen dergelijke stuntelaars misschien helpen voorkomen dat een samenleving als geheel aan het stuntelen slaat.

Jeroen Vanheste is universitair docent filosofie aan de Open Universiteit. Zijn expertisegebieden zijn de cultuurfilosofie, cultuurkritiek en de literaire representaties van filosofische vraagstukken.


Meer columns