null Pilot onderzoekt nieuwe aanpak voor betere bescherming van kinderen en gezinnen

GGW_Pilot_Bescherming_GezinnenKinderen_28971_head_large.jpg

Pilot onderzoekt nieuwe aanpak voor betere bescherming van kinderen en gezinnen

Wanneer zich een ernstig incident voordoet in een gezinssituatie, blijkt vaak dat het gezin al bekend was bij de hulpverlenende instanties. Meestal is dat er dan niet één, maar zijn er al meerdere professionals en instanties met het gezin bezig. Iedereen doet zijn uiterste best, maar nog te vaak werken ze naast elkaar in plaats van met elkaar. Een nieuwe studie van de Open Universiteit gaat onderzoeken hoe een gezamenlijke aanpak van onveilige gezinssituaties in de praktijk vorm kan krijgen en welke effecten deze werkwijze heeft voor kinderen, gezinnen en professionals.

Versnippering

In de huidige organisatie van de jeugdzorg en gezinsbescherming is de ondersteuning aan gezinnen die te maken hebben met onveiligheid vaak versnipperd. Verschillende organisaties, zoals wijkteams, jeugdbescherming, Veilig Thuis en zorgaanbieders, zijn betrokken bij hetzelfde gezin, maar ieder werkt vanuit eigen verantwoordelijkheden, procedures en methodieken. Daardoor wordt informatie niet goed overgedragen, ontstaat er geen gezamenlijk beeld van de situatie en is onduidelijk wie de regie voert.

Gefaseerd Samenwerken aan Veiligheid: van visie naar praktijk

Om de samenwerking te verbeteren is de visie Gefaseerd Samenwerken aan Veiligheid ontwikkeld. Deze werkwijze beschrijft waarom samenwerking nodig is en wat men wil bereiken, maar de praktische uitwerking staat nog in de kinderschoenen. Het pilotproject Kind- en gezinsbescherming in beweging onderzoekt hoe deze visie kan worden vertaald naar een effectieve en werkbare aanpak in de dagelijkse praktijk.

Samen werken als één team

Het uitgangspunt van de pilot is dat professionals en organisaties samen met het gezin optrekken als één team. Iedere partner brengt daarbij zijn eigen expertise in, maar beslissingen over veiligheid en ondersteuning worden gezamenlijk genomen. Het doel is om sneller passende hulp te bieden, overdrachten te beperken en de samenwerking tussen zowel gezinnen als professionals te versterken.
Daarnaast staat leren vanuit de praktijk centraal. Door ervaringen en inzichten tijdens het traject voortdurend te evalueren, kan de werkwijze verder worden ontwikkeld en verbeterd.

Vergelijking van zestig praktijkcasussen

Het actieonderzoek wordt uitgevoerd door onderzoekers van de Open Universiteit. Zij vergelijken dertig casussen waarin volgens de nieuwe werkwijze wordt gewerkt met dertig casussen waarin de reguliere aanpak wordt gevolgd. Deze vergelijking moet inzicht geven in de mogelijke voor- en nadelen van de nieuwe werkwijze.

Het onderzoek richt zich op drie centrale thema's: de ervaringen van kinderen en gezinnen, de samenwerking tussen betrokken organisaties en professionals, en de kwaliteit van het hulpverleningsproces. Daarbij wordt gekeken naar zowel de ervaren veiligheid van gezinnen als naar werkzame elementen en knelpunten in de uitvoering.

Voor de dataverzameling worden verschillende bronnen gebruikt, waaronder dossieronderzoek en vragenlijsten onder professionals en gezinnen. De gegevens worden onafhankelijk verzameld en geanalyseerd door de Open Universiteit.

Wat werkt wel en wat niet

Het onderzoek heeft een verkennend karakter. De resultaten moeten inzicht bieden in de vraag wat werkt, wat minder goed werkt en onder welke voorwaarden een gezamenlijke aanpak kan bijdragen aan duurzame veiligheid voor kinderen en gezinnen. De opgedane kennis levert belangrijke bouwstenen op voor vervolgonderzoek, beleidsontwikkeling en de verdere professionalisering van de praktijk van kind- en gezinsbescherming.

Over het project

Het project Kind- en Gezinsbescherming in beweging - effectmeting pilot voor professionals, proces en kind en gezin is in april 2026 gestart en loopt naar verwachting tot eind 2027. De pilot wordt gefinancierd door de gemeente Heerlen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door dr. Brenda Erens, dr. Ellin Simon en promovendus Daniel Rijfers, allen onderzoekers bij de faculteit Gedrags- en gezondheidswetenschappen.