null Hoeveel moeten er nog komen, hoeveel moeten er nog gaan?

RW_LeonRommy_DenkNa_aug2021_head_large.jpg
Hoeveel moeten er nog komen, hoeveel moeten er nog gaan?
Webcolumn Rechtswetenschappen - door Leon Rommy - augustus 2021

'Hoeveel moeten er nog komen, hoeveel moeten er nog gaan?'. Het is de meest pakkende zin uit het nummer 'Zinloos' van Lange Frans en Baas B. Ze scoorden met dit nummer in 2004 een wereldhit in Nederland. Ze hadden onmogelijk kunnen bedenken dat deze tekst anno 2021, hoe cru ook, zo actueel zou zijn.

Groot was de schok toen in het voorjaar van 2019 de broer van kroongetuige Nabil B. werd vermoord. Deze schok was wellicht nog groter toen in het najaar van datzelfde 2019 ook de advocaat van Nabil B., Derk Wiersum, werd vermoord. Aan deze trieste lijst werd op 15 juli van dit jaar Peter R. de Vries, vertrouwenspersoon van Nabil B., toegevoegd. Hoewel het uiteraard veel te vroeg is om conclusies te trekken over deze laatste moord en met name over de vraag uit welke hoek deze komt, vermoeden de opsporingsdiensten dat Peter R. de Vries vermoord is om het werk wat hij deed.

De 'hernieuwde' aanpak van georganiseerde criminaliteit

Naar aanleiding van de moord op Derk Wiersum kwam minister Grapperhaus, ook advocaat geweest en zichtbaar geëmotioneerd door de gebeurtenis, in actie. Op 18 oktober 2019 schreef Grapperhaus in een brief aan de Tweede Kamer (kamerstuk 29911, 254). Daarin benadrukte hij het belang van een breed offensief gericht op de georganiseerde criminaliteit, waarbij op landelijk niveau moet worden ingezet op een combinatie van repressieve en preventieve maatregelen. Dit moet volgens Grapperhaus bereikt worden door een integraal en multidisciplinair team, dat de aanpak van de georganiseerde drugscriminaliteit verder gaat versterken.

De inspiratie voor een nieuw te vormen rechercheteam dat op landelijk niveau actief is en zich speciaal richt op de aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit zal ongetwijfeld opgedaan zijn in Italië. Italië kende begin jaren negentig haar eigen 'maffia-oorlog' met als absolute dieptepunten de dodelijke aanslagen op onderzoeksrechter Giovanni Falcone en openbaar aanklager Paolo Borsellino. Naar aanleiding van deze moorden werden in Italië een groot aantal anti-maffiawetten ingevoerd. Aan de ene kant werden met deze wetten spijtoptanten (zogeheten pentiti) beter beschermd en aan de andere kant werden maatregelen genomen waarmee veronderstelde maffiosi hard konden worden aangepakt. 

Na de moord op Peter R. de Vries was de kritiek vanuit Italië op de Nederlandse aanpak van de georganiseerde criminaliteit niet mals. Een woord als 'naïef' werd niet zelden gebruikt. In de Volkskrant wordt een Italiaanse criminoloog, Anna Sergi, aan het woord gelaten. Zij stelt dat Nederland te veel gericht is op de losse strafbare feiten en minder op de georganiseerde structuren daarachter, wat met name zit in de aanpak van de Nederlandse politie, die zich meer richt op de illegale goederen dan de organisatie erachter. 

Het Multidisciplinair Interventie Team

Terug naar minister Grapperhaus. Het nieuw te vormen rechercheteam kreeg de naam 'Multidisciplinair Interventie Team' (MIT). Het idee is dat binnen dit team verschillende disciplines (politie, Kmar, FIOD, Openbaar Ministerie, douane en Belastingdienst) samenwerken in de bestrijding van (georganiseerde) criminaliteit. Er moet sprake zijn van grootschalige data-uitwisseling, waarbij de informatie van betrokken partijen en hun expertise wordt samengebracht in een 'Data Warehouse'. In mei van dit jaar schreef Grapperhaus een brief aan de Tweede Kamer over de praktische inrichting van het MIT. Daarin wordt onder meer de doelstelling beschreven: het blootleggen en duurzaam verstoren van criminele structuren, bedrijfsprocessen en verdienmodellen, die verweven zijn met, of misbruik maken van, legale structuren en de legale economie. Daarmee wordt wellicht tegemoet gekomen aan de genoemde kritiek dat de focus nu nog te veel ligt op de losse strafbare feiten.

De, naar mijn mening, terechte vraag die naar aanleiding van de plannen wordt gesteld is de vraag hoe dit nieuwe team zich verhoudt tot andere, reeds bestaande opsporingsdiensten. Emeritus hoogleraar Fijnaut noemde de plannen bij nu.nl 'ondoordacht' en een 'splijtzwam'. Hij vreest een concurrentiestrijd tussen verschillende diensten en stelt dat sprake is van een diskwalificatie van de huidige recherche-eenheden. Om echt een vuist te maken tegen de georganiseerde criminaliteit moet de opsporingscapaciteit uitgebouwd, versterkt en verbeterd worden. Hoewel minister Grapperhaus bezweert dat het MIT een aanvulling vormt op de huidige politiediensten, is de Kamer daarvan niet overtuigd. Het laatste woord over het MIT is dan vermoedelijk ook nog niet gesproken.

Hoe nu verder

En deze laatste woorden vormen de, naar mijn mening, trieste balans twee jaar na de moord op een confrère. En dat je problemen niet oplost door te praten is op 15 juli van dit jaar maar weer eens pijnlijk duidelijk geworden. En hoewel er veel meer aspecten zitten aan een dergelijke aanslag, is de conclusie wat mij betreft helder: op deze manier verliezen we de strijd met de georganiseerde criminaliteit. Een strijd die overigens aan alle kanten verhardt, zo bleek afgelopen week maar weer eens. Deze weinig magistratelijke houding kenmerkt het sentiment van verharding dat op dit moment leeft. Een sentiment waar alle procespartijen  verantwoordelijkheid voor dragen, maar wel een tij dat zo snel mogelijk moet worden gekeerd. 

De jeugd heeft de toekomst

Een laatste kanttekening in dit verband is de volgende. Winst in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit valt wat mij betreft te halen aan het absolute begin: voorkomen dat de jeugd het verkeerde pad op raakt. Uit recent WODC-onderzoek blijkt dat weliswaar sprake is van een daling van jeugdcriminaliteit, maar dat het percentage jongeren dat na een eerste politiecontact opnieuw in aanraking komt met de politie stabiel blijft, wat kan wijzen op een trend dat jongeren minder snel aan criminaliteit beginnen, maar als ze er eenmaal in zitten, daar niet gemakkelijk meer uit komen. 

In mijn Amsterdamse advocatenpraktijk zie ik met grote regelmaat jongens (het zijn bijna altijd jongens) voorbijkomen die jong zijn maar (zwaar) crimineel gedrag niet schuwen, vaak louter gedreven door status en een financieel motief. Het zijn juist deze jongens die, vroeg of laat, gerekruteerd en ingezet worden door de georganiseerde criminaliteit en daarmee het 'systeem' in stand houden. Investeren in deze jongens, door middel van scholing, dagbesteding, werk, de wijkagent, jongerenwerk, buurthuizen, etc. voorkomt een hoop leed en is naar mijn mening een stuk effectiever dan een nieuw multidisciplinair team dat structuren onderzoekt op het moment dat ze al bestaan, wat gevoelsmatig het paard achter de wagen spannen is. 

Concluderend

Ik zou Grapperhaus willen aanmoedigen het geld vooral te stoppen in de jeugd en ervoor te zorgen dat jongeren op het rechte pad blijven, maar nog meer wil ik hem aanmoedigen het niet bij praten te laten, maar tot concrete actie over te gaan. Alleen op die manier voorkomen we dat er nog meer komen, of (anderen) moeten gaan.


Leon Rommy is in deeltijd als docent straf- en strafprocesrecht verbonden aan de Open Universiteit. Daarnaast is hij strafrechtadvocaat en heeft hij zijn eigen advocatenkantoor in Amsterdam.