null De worsteling van Nederland met een Javaanse dolk

CW_CarolineDrieenhuizen_JavaanseDolk_head_large.jpg
Samenleving
De worsteling van Nederland met een Javaanse dolk
Webcolumn Cultuurwetenschappen - door Caroline Drieënhuizen - juli 2020

Op 4 maart 2020, verscheen een jubelend persbericht. Verschillende, bescheiden, krantenartikelen volgden: 'Nederland geeft dolk van Javaanse verzetsheld terug aan Indonesië' en: 'Zoekgeraakte dolk Javaanse verzetsheld gevonden'. Het lijken neutrale, weinig politieke koppen, maar dat zijn ze niet. De krantenkoppen en inhoud van de artikelen over de Javaanse dolk, een kris, zijn decennialange 'verdwijning' en recente teruggave zijn illustratief voor de algehele moeizame, door politiek en nostalgie gedomineerde omgang van Nederland met zijn koloniaal verleden.

Roofbuit

Om te beginnen: het persbericht meldt het niet en de NOS werpt het als vraag op, maar de kris van één van de belangrijkste verzetshelden van Indonesië, pangeran Diponegoro (1785-1855), is ontegenzeggelijk roofbuit. En dat is niet enkel zo omdat alle voorwerpen die binnen een sociaal-politieke constellatie van ongelijke machtsverhoudingen, wat een kolonie was, verworven zijn per definitie altijd 'verdacht' zijn. In dit geval is het zelfs heel evident. Nadat Diponegoro in 1830 na een vijfjarige strijd tegen de Nederlandse kolonisatoren met een list gevangen genomen kon worden, werden zijn 'pusaka', zijn waardevolste erfstukken waaronder de kris, in beslag genomen door Nederlandse officieren en als trofeeën naar Koning Willem I gestuurd. Die bewaarde ze vervolgens in zijn Kabinet van Zeldzaamheden, dat uiteindelijk onderdeel zou worden van het huidige Leidse Museum Volkenkunde.

Onderschrift afbeelding: Diponegoro na zijn arrestatie en met een kris. Litho van C.C.A. Last uit 1835 naar de originele pentekening van A.J. Bik uit 1830 (afkomstig: Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen).

Het verlies van een kolonie en restitutie

Er is meer in de Nederlandse omgang met de kris dat illustratief is voor de nog altijd durende worsteling met de betekenis van het koloniaal verleden, de erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië en de consequenties daarvan. Al vanaf de Ronde Tafel Conferentie in 1949 werd er gesproken over restitutie van Indonesisch cultureel erfgoed in Nederland. Voor de nieuwe Indonesische natiestaat was restitutie in twee opzichten van groot belang: niet alleen probeerde de staat met de restitutie van voor Indonesië belangrijke voorwerpen de eigen culturele identiteit vorm te geven, maar teruggave werd ook gezien als erkenning van het bestaan van, en daarmee legitimatie van, de nieuwe staat.

Met dat laatste heeft de Nederlandse politiek, zelfs vijfenzeventig jaar na dato, moeite: de pas recent aangeboden excuses van de Nederlandse koning aan Indonesië voor slechts het 'excessieve' (en dus niet 'gewone', structurele) geweld in enkel de periode 1945 en 1949 (en niet voor het kolonialisme en daarbij gepaard gaande geweld an sich) en het indirect, maar niet juridisch erkennen, van 1945 als datum van de Indonesische onafhankelijkheid laten zien hoe Nederland moeite blijft houden met het verlies van zijn grootste kolonie en de verwerking van dat verleden.
Museumdirecteuren die het koloniaal erfgoed beheerden, hebben altijd moeite gehad met de nieuwe postkoloniale werkelijkheid. Restitutie betekende en betekent voor hen vooral verlies. Verlies van publiekstrekkers als het prachtige beeld Prajnaparamita dat in 1976 terug ging, maar ook het verlies van hun zelfbeeld als wetenschappers die als goede voogden hadden gezorgd voor het erfgoed dat aan hen als kolonisator was toevertrouwd en dat zij, in hun optiek, hadden gered. Nu werden ze plots beschuldigd van ontvreemding.

'Zoveel mogelijk 'de boot afhouden'': Nederlands restitutiebeleid

De Nederlandse politiek en museumdirecteuren hebben, door die moeizame acceptie van de veranderende politieke en maatschappelijke verhoudingen met Indonesië, de teruggave van culturele voorwerpen als eigendom van de Nederlandse Staat dan ook lang ontmoedigd. Het was zelfs officieel beleid in de jaren zestig van de twintigste eeuw. 'Zo veel mogelijk 'de boot afhouden'', schreef een ambtenaar in 1967 als advies. De noodzaak van teruggave werd binnen de politiek en de culturele sector niet breed gevoeld, ondanks dat in 1973 de Verenigde Naties de grote exodus van kunstvoorwerpen uit de koloniën naar het Westen tijdens de koloniale periode hadden veroordeeld en de voormalige koloniale machten wees op hun verantwoordelijkheid. 'Veel is hier gekomen door oprechte schenking van inlanders aan buitenlanders', schreef een medewerker van het Tropenmuseum als reactie op de VN-resolutie1. 'Verhalen over roof zijn vaak sterk overdreven'.
Als restitutie wel gebeurde zoals in de jaren zeventig van de twintigste eeuw, werd het beschouwd en naar buiten gebracht als een daad van goede wil. In ambtelijke kringen raakte men dan ook geïrriteerd als Indonesische collega’s spraken over de 'teruggave' van voorwerpen. Nederlandse ambtenaren spraken consequent over 'overdracht'. Het is een vertoog dat in de huidige nieuwsberichten over de kris wordt voortgezet: in het persbericht spreekt men buiten de citaten om over 'overdracht' in plaats van restitutie. Alle Nederlandse berichten benadrukken hoe Nederland ervoor zorgde dat de kris toch werd gevonden. De aanwezigheid van de trofee in Nederland als gegeven zelf wordt niet betwist en een gevoelde noodzaak het object als roofbuit te retourneren spreekt niet uit de berichten.

De wens voor restitutie van de kris van Diponegoro

De kris van Diponegoro maakte, ondanks verzoeken van Indonesische zijde, geen deel uit van de voorwerpen die in de jaren zeventig vanuit Nederland naar Indonesië zijn teruggekeerd. De dolk zou onvindbaar zijn in Leiden. Indonesië bleef er echter bij gelegenheid om vragen. Volgens mondelinge overlevering stelde in 1985 de Nederlandse ambassadeur in Jakarta, Frans van Dongen, de Leidse museumdirecteur Pieter Pott voor om het in het kader van het veertigjarige bestaan van Indonesië als mooi gebaar de kris terug te geven. Pott maakte de ambassadeur duidelijk dat restitutie onwenselijk was.2 Of de museumdirecteur wist waar de kris was, is niet waarschijnlijk, maar dat hij niet genegen was die terug te sturen (en dus misschien te vinden?) was wel duidelijk. Pott was sowieso geen voorstander van teruggave: hij scheen zich vreselijk te hebben opgewonden toen hij hoorde dat een teruggegeven beroemd lontarmanuscript niet in een Indonesisch museum, maar thuis bij toenmalig president Soeharto lag en dat mevrouw Soeharto er als offer elke dag wierook voor brandde…3

Tot slot

Het is goed dat de kris van Diponegoro, na bijna 190 jaar ballingschap in een kil museumdepot, weer terug is op Java. De lange aanloop die de terugkeer echter had, de politieke opportuniteit van de restitutie (net op het moment dat de Nederlandse koning en koningin, met in hun gevolg het Nederlandse bedrijfsleven, hun opwachting maakten in Indonesië) en de huidige berichtgeving, tonen echter aan hoezeer Nederland worstelde, en nog steeds worstelt, met het koloniaal verleden en de consequenties daarvan. Het besef dat een deel van de uit Indonesië stammende collecties niet zo vanzelfsprekend thuishoren in Nederland en dat de voormalige kolonie een gelijkwaardige partnerstaat is met recht op zijn eigen erfgoed, lijken maar langzaam door te dringen.

Noten

1 VN-resolutie 3187, 18 december 1973. (geraadpleegd 20 maart 2020).
2 Jos van Beurden, Treasures in trusted hands. Negotiating the future of colonial cultural objects (Leiden 2017) 163.
3 Caroline Drieënhuizen, 'Mirrors of time and agents of action. Indonesia’s claimed cultural objects and decolonisation, 1947-1978', BMGN - Low Countries Historical Review 133 (no. 2) (2018) 91-104, aldaar 102.