Wij zorgen er graag voor dat u een goede website ervaring bij ons heeft. Daarom maken wij gebruik van cookies.
Hiermee kunnen wij ook advertenties aanpassen aan uw interesses en kunt u pagina’s delen via social media.
Bekijk ons privacybeleid voor meer informatie.

Meer lezen
Leren
Koptelefoons en wiebelkussens in de klas: helpt het?
In iedere klas zijn er kinderen die moeite hebben met concentreren. Die concentratieproblemen kunnen het gevolg zijn van de manier waarop ze prikkels verwerken. Deze kinderen krijgen in de klas vaak een hulpmiddel zoals een tangle, een wiebelkussen of een geluiddempende hoofdtelefoon. De verwachting is dat zo’n hulpmiddel helpt om beter om te gaan met de prikkels. Maar of het ook echt werkt, is nooit wetenschappelijk onderzocht. Een team van het Welten-instituut en Universiteit Maastricht gaat dat met steun van het NRO onderzoeken.

Hoe hoog is je prikkeldrempel?

Als kinderen moeite hebben met concentreren, kan dat nadelig zijn voor hun schoolprestaties. Ze krijgen de stof niet mee, of kunnen tijdens een toets de aandacht niet of niet lang genoeg erbij houden. Soms krijgen deze kinderen een diagnose zoals AD(H)D, PPD-NOS of leerstoornis, maar het kan ook zijn dat de concentratieproblemen te maken hebben met de manier waarop kinderen prikkels uit hun omgeving verwerken. Een mens neemt prikkels als geluiden of bewegingen pas waar als die prikkel een bepaalde drempelwaarde heeft bereikt. Die drempelwaarde is voor iedereen verschillend.

Wiebelen is controle krijgen over de prikkelverwerking

Céleste Meijs, onderzoeker bij het Welten-instituut over de verschillende prikkelverwerkingspatronen: 'Kinderen met een hoge prikkeldrempel merken prikkels niet snel op en missen zo informatie. Vaak zijn dit de dromerige, afwezige kinderen. Een deel van hen gaat op een actieve manier om met die hoge prikkeldrempel: ze gaan wiebelen of friemelen om zo zichzelf te dwingen om bij de les te blijven. Dat betekent natuurlijk wel dat ze onrustig zijn in de klas. Het tegenovergesteld zie je bij kinderen met een lage prikkeldrempel. Zij nemen heel veel prikkels waar, raken overprikkeld en worden druk en geagiteerd. Een deel van die groep gaat ook weer actief om met het probleem. Ze trekken zich terug of schermen de oren af. Denk aan het kind dat met opgetrokken schouders, hoodie over het hoofd in de bank zit. Het lijkt desinteresse, maar het kan goed zijn dat het kind zich zo beschermt tegen te veel prikkels.' 

Werkt het echt?

Het onderwijs kent een hele reeks hulpmiddelen om de kinderen te helpen om met hun te hoge óf te lage prikkeldrempel om te gaan. Maar werkt het ook? Een onderzoekskernteam bestaande uit Céleste Meijs, Renate de Groot en Inge van der Wurff (Welten-instituut, Open Universiteit) en Petra Hurks (Maastricht University) gaat dat onderzoeken. Daarvoor zullen ze samenwerken met scholen, gemeenten en ergotherapeuten. In een eerste onderzoek inventariseren ze wat we al weten over het verband tussen executieve functies (zoals inhibitie: het onderdrukken van prikkels), sensorische prikkelverwerking en schoolprestaties en welke interventies en hulpmiddelen het onderwijs kan inzetten. Het tweede onderzoek is een experiment. Hierin onderzoekt het team of hulpmiddelen effectief zijn in het reguleren van de prikkelverwerking tijdens een toets (rekenen en begrijpend lezen) en welk hulpmiddel het best past bij ieder prikkelverwerkingspatroon. Zo ontstaat er een beeld van welk hulpmiddel bij welk kind het best past. De resultaten worden verwerkt tot praktische informatie/middelen die ingezet kunnen worden in het onderwijs en in de professionele ontwikkeling van leraren en andere betrokkenen bij het onderwijs.

Celeste Meijs

Céleste Meijs