null Mensenrechtenschendingen door multinationale ondernemingen: van zorgplicht naar herstel

RW_NickyTouw_Mensenrechten_18932_head_large.jpg
Mensenrechtenschendingen door multinationale ondernemingen: van zorgplicht naar herstel
Webcolumn Rechtswetenschappen - door Nicky Touw - april 2021

De impact van multinationale ondernemingen

Multinationale ondernemingen hebben een grote impact op hun omgeving. In het beste geval zorgt hun aanwezigheid voor een toename van sociale en economische activiteiten, bijvoorbeeld door het creëren van werkgelegenheid en uiteraard door het leveren van waardevolle producten of diensten. In het slechtste geval hebben hun activiteiten echter een ongewenst gevolg waarbij zelfs fundamentele rechten kunnen worden geschonden, bijvoorbeeld doordat hun activiteiten, direct of in de productieketen, milieuvervuiling veroorzaken of wanneer werkomstandigheden gevaarlijk of mensonterend zijn.

Over de vraag hoe deze negatieve gevolgen aan te pakken, alsmede het vaak uitblijven van herstel en schadevergoeding daarbij, woedt al tijden een maatschappelijk debat dat ook steeds vaker met juridische middelen wordt uitgevochten. Een focus ligt op de vraag in hoeverre moedermaatschappijen, vaak gesitueerd in het mondiale noorden, verantwoordelijk zijn voor het gedrag van hun dochtervennootschappen, zeker wanneer die in andere, vaak in het mondiale zuiden gelegen, landen opereren.

Mijlpalen in Q1 van 2021

In deze webcolumn bespreek ik twee Nederlandse mijlpalen op dit gebied die plaatsvonden in het eerste kwartaal van 2021.
Ten eerste deed het Gerechtshof in Den Haag op 29 januari 2021 uitspraak in drie rechtszaken tegen Shell over milieuverontreiniging door olielekkages in Nigeria. Het Gerechtshof stelde in één van de zaken de Nigeriaanse entiteit aansprakelijk voor de lekkages en gevolgen, en nam op basis van Nigeriaans recht ook de baanbrekende beslissing dat de moedermaatschappij die in Nederland is gevestigd een zorgplicht heeft voor een deel van de activiteiten in Nigeria en daar dus mede aansprakelijk voor is.

Ten tweede diende voormalig Tweede Kamerlid Joël Voordewind (ChristenUnie) op 11 maart 2021, samen met een aantal andere Kamerleden (GroenLinks, SP en PvdA), het initiatief wetsvoorstel Verantwoord en Duurzaam Internationaal Ondernemen in, dat beoogt om voor internationaal opererende ondernemingen een zorgplicht op het gebied van mens, arbeid en milieu wettelijk te verankeren.

Een belangrijke stap: op weg naar een wettelijke zorgplicht voor multinationale ondernemingen
Het wettelijk verankeren van een zorgplicht is toe te juichen ter vergroting van de mensenrechtelijke bescherming jegens multinationale ondernemingen, maar ook vanuit het oogpunt van rechtszekerheid. Juist ook voor ondernemingen.

Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het initiatief wetsvoorstel tot doel heeft om duidelijkheid te creëren over de minimale vereisten voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen. Meer concreet betekent dit dat het initiatief wetsvoorstel onder andere een algemene zorgplicht opneemt in artikel 1.2. Of een zorgplicht in deze vorm er zal komen en hoe deze zal worden geïnterpreteerd, is nog onzeker. Het (nu demissionaire) kabinet stelde al wel dat een zorgplicht voor multinationale ondernemingen wettelijk moet worden verankerd, maar wilde eerst het zich nu ontwikkelende Europese wetgevingsproces afwachten. Over de vervolgstappen komt waarschijnlijk deze zomer meer duidelijkheid.

Herstel en schadevergoeding: een punt van aandacht

Op basis van het initiatief wetsvoorstel komt al wel een belangrijk punt van aandacht naar voren over hoe een wettelijke zorgplicht echt bij zal kunnen dragen aan het realiseren van herstel in het geval van schade aan mens of milieu buiten Nederland. Zullen zaken zoals die tegen Shell in het vervolg gemakkelijker te voeren zijn?

Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat één van de voorgestelde handhavingsmechanismen voor de zorgplicht een civiele rechtsgang is. Indien een onderneming volgens een betrokkene haar zorgplicht schendt, kan zij dit voorleggen aan de civiele rechter. Zoals echter ook al blijkt uit de reacties van belangenorganisaties, zou de wet in haar finale vorm idealiter meer duidelijkheid bieden hierover.
Naast de door hen opgeworpen vragen over bijvoorbeeld de precieze aard van de zorgplicht en de bewijslast voor het aantonen van een schending ervan, speelt er nog een concrete vraag waarbij de effectiviteit van deze mogelijkheid valt of staat.

Het lijkt er op dat het de bedoeling is van de initiatiefnemers om de civiele rechtsgang via de gewone onrechtmatige daad in artikel 6:162 BW te laten plaatsvinden. Zoals gezegd is er in de Shell zaak echter een zorgplicht van de moedermaatschappij over haar dochter aangenomen op basis van Nigeriaans recht. Het huidige internationaal privaatrecht bepaalt dat in het geval van een onrechtmatige daad, het materiële recht van de staat waar de schade zich voordoet, het geding beheerst. In de Memorie van Toelichting bij het initiatiefwetsvoorstel wordt echter niet expliciet ingegaan op de vraag of, en hoe, deze regel van internationaal privaatrecht samen gaat met de voorgestelde opzet van nationale zorgplicht wetgeving.

Als we over de grens kijken, blijkt dit inderdaad een belangrijke punt. Uit een recent artikel komt bijvoorbeeld naar voren dat ook bij een vergelijkbare wet die Frankrijk al in 2017 aannam, hierover nog steeds vragen bestaan.

Een wetgevingsinitiatief rapport met een voorstel voor een Europees instrument over een wettelijke zorgplicht voor bedrijven dat op 10 maart 2021 is aangenomen door het Europees Parlement besteedt hier wel expliciet aandacht aan. Artikel 20 in dat voorstel bepaalt dat lidstaten in hun wetgeving vast moeten leggen dat zij ten aanzien van de civiele rechtsgang over een mogelijke schending van de zorgplicht, gebruik zullen maken van de uitzondering die het internationaal privaatrecht biedt om de voornoemde basisregel niet toe te hoeven passen. Relevante bepalingen moeten dan worden aangemerkt als bepalingen van bijzonder dwingend recht. Daardoor kunnen zij wel worden toegepast door nationale rechters ondanks dat de schade in het geding zich in een ander land heeft voorgedaan. Het initiatiefwetsvoorstel lijkt voor een dergelijke optie overigens wel aanknopingspunten te bieden.

Concluderend

Het initiatief wetsvoorstel is dus toe te juichen, past binnen de internationale ontwikkelingen op het gebied van verantwoord ondernemen en laat zien dat ook in Nederland de weg naar een wettelijke zorgplicht onvermijdelijk is ingeslagen. Om daadwerkelijk bij te dragen aan herstel in het geval van geleden schade buiten Nederland, acht ik het echter ten zeerste aan te raden om in de wet zelf aandacht te schenken aan de toepasselijkheid van de wetgeving bij een gang naar de civiele rechter.