null Met de pakken neerzitten? - Het eeuwige Nu van de Waarheid

CW_TomGiesbers_UurVanDeWaarheid_head_large.jpg
Samenleving
Met de pakken neerzitten? - Het eeuwige Nu van de Waarheid
Webcolumn Cultuurwetenschappen- door Tom Giesbers - juni 2020

Het uur van de waarheid nadert. Het uur van de waarheid breekt aan. Het uur van de waarheid slaat. Het uur van de waarheid is daar.

Zoals u ziet heeft het thema van de maand van de filosofie, naast het feit dat het de waarheid thematiseert, ook een hele specifieke duiding in de tijd. De waarheid in een moment gevat. Ik neem u mee in een kleine verkenning van die relatie.

Filosofie

Ik neem Georg Wilhelm Friedrich Hegel’s bombastische voorrede van de Grundlinien der Philosophie des Rechts als aanleiding voor het hedendaagse uur van de waarheid. Deze tekst was voor de Duits idealistische filosoof1 een gelegenheidsschrift, maar is ook de oorsprong van twee uitdrukkingen die voorgoed in de geschiedenis van de filosofie zijn gegrift: 'de uil van Minerva begint pas zijn vlucht bij het invallen van de schemer'2 en 'wat redelijk is, dat is werkelijk en wat werkelijk is, dat is redelijk.'3 We kunnen deze frasen transplanteren naar de hedendaagse gelegenheid, om te ondervinden of het nu van toen, en het nu van nu, in Hegel’s woorden, een eindeloos nu behelst, wanneer we over waarheid spreken.

Hegel spreekt over wat de filosofie kan bieden tegen het 'smadelijke verval waarin ze de laatste tijd is weggezonken.' Men heeft, schrijft hij, de 'regels van de voormalige logica, van het definiëren, van het indelen en de sluitrede, van alle regels die verstandelijke kennis bevat' alleen gevoeld als gebrekkigheid en niet ingezien als gebrekkigheid.4 Met andere woorden, de maatschappij heeft de filosofie van zich afgeworpen. Een boute claim. Hoe zit het eigenlijk met de filosofie zelf?

Eigenlijk is het zowel haar grootste winst als haar grootste beschaming dat de filosofie haar eigen geschiedenis met zich mee draagt, en niet, zoals veel andere wetenschappen, haar geschiedenis onterft en verbant uit haar wetenschappelijke praktijk. Wanneer men in de eerste instantie bekijkt wat de filosofie op haar rug mee draagt, dan ziet men, onder andere, verouderde theorieën over de wereld, racistische filosofen en denkbeelden die veel lijden teweeg hebben gebracht. Allemaal gebrekkigheden, op het eerste gezicht. In die zin vliegt de wijze uil te laat, en laat ons feiten zien die hun nut al lang verloren hebben, om nog maar te zwijgen over hun waarheid. Waarom toch die last, mevrouw filosofie, dienstmaagd van de wetenschappen? Zet uw pakken neer, en recht uw rug. Loop niet langer achter de feiten aan.

Verouderde denkbeelden

Maar Hegel merkt op dat men dit slechts voelt, en niet inziet. Men heeft die pakken, zegt Hegel, 'als ketenen afgeworpen om willekeurig vanuit het hart, de fantasie, vanuit de toevallige aanschouwing te spreken; en omdat reflectie en de verhoudingen van het denken toch ook een rol moeten spelen, vervalt men zonder dat te beseffen weer in de verachte methode van de zo gebruikelijke sluitrede en het beredeneren.'5 Met andere woorden, men kan, ondanks de minachting voor de geschiedenis van het denken, de verouderde denkbeelden niet ontsnappen. Zo zien we de laatste tijd allerlei verouderde denkbeelden weer de kop op steken, variërend van een ongeloof in vaccinaties of het idee dat de aarde plat is tot rassenrealisme.

Hegel vervolgt: 'We hebben dan voornamelijk ruim de gelegenheid om ons te verwonderen over de toon en de pretentie die daarbij gebezigd worden, die de indruk wekken alsof het enige waarop de wereld altijd heeft gewacht juist deze ijverige verspreiders van waarheden zijn, en alsof de opgewarmde kool nieuwe en ongehoorde waarheden brengt en vooral steeds hoofdzakelijk 'in de huidige tijd' ter harte moet worden genomen.'6 Hegel denkt hier vooral aan religie, maar we kunnen dit evengoed als het politiek-economische beleid zien dat ons van crisis naar crisis brengt, met geen tot weinig nieuwe plannen.

Hegel vervolgt: 'Met het eenvoudige huismiddeltje om het gevoel de plaats te laten innemen van het werk der rede en haar verstand, al hebben die een traditie van duizenden jaren, bespaar je je de moeite van het redelijke inzicht en de kennis die door het denkende begrip worden geleid.' Het volstaat dus niet om achterhaalde denkbeelden op basis van gevoel te verwerpen, want dan steken ze ongemerkt weer de kop op. Hegel vervolgt dat daar 'waar hij het meest geestloos is, het meest over geest spreekt; waar zijn spreken het meest doods en droog is, hij de woorden 'leven' en 'in het leven roepen' in de mond neemt, en waar hij van de grootste zelfzuchtige, holle hoogmoed blijk geeft, rept van het woord volk.'7Het dwepen met een bepaald idee, zelfs het voorop stellen van een idee in het publieke discours, staat dus geenszins garant voor een doordachte toepassing daarvan.
Door dit naïeve gedrag, schrijft Hegel 'doet zich al spoedig de vermeende moeilijkheid voor hoe onder de oneindig uiteenlopende meningen het algemeen erkende en geldige kan worden onderscheiden en gevonden.' De vraag rijst naar een manier om al deze achterhaalde en onverzoenbare denkbeelden kritisch te benaderen. Hegel denkt uiteraard aan zijn eigen methode, maar we kunnen evengoed aan het maatschappelijke belang van de filosofie denken. En daar rijst dus, in de context van het hedendaagse moment, de vraag naar waarheid.

Contemporain uitdenken van de ethische wereld

Vervolgens komt Hegel tot het onderwerp van zijn traktaat, de staat: 'Als je deze voorstellingen en het ermee samenhangende gedoe beziet, dan zou je menen dat er nog nooit een staat en een staatsinrichting op de wereld geweest zijn; dat die er thans ook niet zijn, maar dat we nu - en dat nu duurt eeuwig - helemaal van voren af aan moeten beginnen, en dat de zedelijke wereld alleen op zo’n huidig uitdenken, doorgronden en funderen wacht.'8

We smachten eigenlijk naar een contemporain uitdenken van de ethische wereld, niet alleen door ethici, maar vanuit alle mogelijke filosofische benaderingen. Een 'staat' kunnen we ook voorbij de natiestaat lezen, en nog steeds trouw aan Hegel’s bedoelingen, als de verwerkelijking van ons zelfbewustzijn. Dit maakt het probleem van de ethische staatsinrichting juist het probleem van hoe we zelfbewuster worden. Zelfbewuster van de ethische implicaties van onze wereld bijvoorbeeld. Daar ligt nu juist het moderne probleem van de waarheid, volgens Hegel: we zijn van God verlaten, dat wil zeggen dat de waarheid een opgave voor ons is, bij gebrek aan pasklare antwoorden.

Laten we voor het gemak, wanneer Hegel over de wet spreekt, het doordachte (en dus ethische) zelfbewustzijn lezen. Hij schrijft dan: 'De werkelijke wereld van het recht en het zedelijke, maken zich begrijpelijk in de gedachte, en geven zich door middel van gedachten de vorm van de redelijkheid, namelijk algemeenheid en bepaaldheid - met andere woorden, het is de wet die door dat willekeurige gevoel, dat geweten dat het recht tot een zaak van subjectieve overtuiging maakt, terecht wordt beschouwd als datgene wat hun het meest vijandig gezind is. De vorm van het recht als plicht en wet is voor dat gevoel een dode letter, kil en knellend als een kluister, want het herkent zichzelf niet in dat recht, herkent zichzelf er dus niet in als vrij, omdat de wet de rede van de zaak is, en de rede het gevoel niet toestaat zich aan de eigen particulariteit te warmen. Het is dus de wet die, zoals in de loop van dit leerboek wordt opgemerkt, bij uitstek het sjibbolet is dat de valse broeders en vrienden van het zogenaamde volk ontmaskert.'9

Achterhaalde denkbeelden

De naïviteit die vasthoudt aan lege en achterhaalde denkwijzen ervaart de wet, het ethische zelfbewustzijn, dat in deze tijden bijvoorbeeld samenvalt in de regels van quarantaine, als lege formaliteiten die haar vrijheid aan banden willen leggen.

Hegel prijst het als een geluk van de filosofie dat ze nauwe banden met de werkelijkheid is aangegaan. Hoe moeten we dat in een hedendaagse context begrijpen, in ons uur der waarheid? De filosofie herkent deze achterhaalde denkbeelden (die zich momenteel wijd aan het verspreiden zijn door onze samenleving) als achterhaalde denkbeelden, doordat ze eerder in haar geschiedenis deze denkbeelden verworpen heeft. Ze begrijpt die achterhaaldheid vanuit inzicht: als geworteld in een concrete historische context, die voorbij de concepten en beredeneringsvormen gaat. De filosofie heeft deze rationele uitingen in haar werkelijkheid ingezien, begrijpt hoe deze denkbeelden hebben kunnen ontstaan en waarom hun waarheid in twijfel is getrokken. Hier blijkt de grootste beschaming van de filosofie toch haar grootste winst te zijn.

Scharnier

Bij Hegel betekent het 'doorgronden van het redelijke''het begrijpen van het tegenwoordige en werkelijke'.10 Het begrijpen van het tegenwoordige is dan ook het begrijpen van wat Hegel de 'scharnier' noemt waarop 'de toen op handen zijnde omwenteling van de wereld […] gedraaid heeft.' De filosofie produceert de scharnier niet, biedt geen gadgets ter wereldverandering, maar geeft ons wel de middelen om te anticiperen op grote veranderingen.11 We moeten reflecteren op het heden, op hoe het heden hedendaags is geworden, anders werkt het heden door ons heen.12

Geschiedenis van het denken

'De filosofie is haar tijd in gedachten gevat', meent Hegel.13 Dit is tenslotte het uur van de waarheid voor de filosofie: een van haar meest fundamentele vormen van denken is het doordenken van het heden, door het scheiden van het hedendaagse van datgene wat niet hedendaags is, wat sindsdien achterhaald is, maar juist door te begrijpen hoe dit achterhaalde wéér hedendaags is geworden. Zoals ik al aangaf: de vraag naar waarheid is voor de filosofie fundamenteel betrokken op de tijd. De geschiedenis van het denken kunnen we dan zien als een eeuwig nu waarin inzicht in het hedendaagse gegeven wordt.

Die pakken vol kennis van de geschiedenis van haar ontwikkeling, die ook dubbelt als de geschiedenis van het denken, blijkt dus bijzonder waardevol te zijn, juist wanneer we worden geconfronteerd met een wereld waarin verouderde denkbeelden, die al overwonnen leken, ineens om ogenschijnlijk onverklaarbare redenen weer de kop opsteken. Hegel’s gelegenheid blijkt dus ten dele nog steeds onze aangelegenheid, waarin de nadruk juist komt te liggen op de geschiedenis van het denken als een eeuwig nu.

Bronvermelding

1 Ik citeer hier de recente vertaling van Willem Visser, Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie (2014, Amsterdam).
2 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 25.
3 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 21.
4 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 10.
5 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 10.
6 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 12.
7 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 17.
8 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 13.
9 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 17.
10 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 21.
11 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 21.
12 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 22.
13 Hoofdlijnen van de Rechtsfilosofie, 24.